Pastoralia

Pastoralia 79: Het verlangen van een geplaagde Pelgrim.

Kent u dat gevoel ook ? U verlangt zo sterk naar iets dat het bijna fysiek pijn doet ? Naar dat ene geluksmoment dat u jaren geleden eens overviel. Of naar die ene persoon, die niet meer onder ons is ? Of u verlangt ernaar nog eens één keer in zee te zwemmen, bijvoorbeeld, maar u lichamelijke toestand laat dat niet meer toe. Of u verlangt terug naar uw jonge jaren, maar die zijn voorbij en verleden tijd. Over een dergelijk verlangen gaat het hier in deze Pastoralia.

Heimwee van de ziel.
“Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar U, o God”, Psalm 42 : 1. Dit eerste vers van Psalm 42 is een zeer geliefd lied. Waarom ? Omdat het resoneert in onze eigen ziel ? Maar waarom dan ? En wat is die ziel eigenlijk ? En waarna smacht ze dan ? Smachten is een woord dat een diep, bijna pijnlijk, verlangen aangeeft. De Psalmdichter vergelijkt dit met een hinde, een vrouwtjes hert, dat bijna van dorst omkomt en zeer sterk naar een slok stromend water verlangt. Misschien is u dat in de afgelopen hete zomer ook wel overkomen, dat u zo’n enorme dorst had, dat het bijna fysiek pijn deed. Nu dan, zo sterk smacht mijn ziel, schrijft de dichter. Maar waarnaar dan ? De ziel komt van God vandaan. En de ziel verlangt ernaar weer bij God te zijn, waar hij vandaan kwam. De ziel. God schept de ziel, uniek, éénmalig. Er zijn geen twee zielen gelijk. Ik geloof dan ook niet in de recycling van de ziel, zoals in reïncarnatie. De ziel is geen batterij, die je kunt rechargen en dan weer opnieuw gebruiken in een ander apparaat. Nee, de ziel is uniek. En het maakt elk mens tot wie hij of zij is. Wanneer iemand overlijdt dan hoor je wel eens zeggen; ‘het is em wel, maar toch ook weer niet’. Hoe komt dat ? Het lichaam is er nog wel. Maar de ziel is reeds naar zijn schepper teruggekeerd. Dat wat jou wezenlijk jou maakt, je levende persoonlijkheid, dat is de ziel. Je ontving die ziel toen God je weefde in de schoot van je moeder. God heeft die ziel in een menselijk lichaam gebracht. Hoe ? Ja, dat weet ik nu juist niet. Dat is een wonder. Psalm 139 zegt het zo; “Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel”, Psalm 139 : 14. De Psalm verklaart niet hoe dat kan, maar erkent wel dat dit een wonder van God is. En dat mijn ziel dat weet. Iets van hoe dit gaat vertelt God in Genesis 2; “Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit de aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen”, Genesis 2 : 7. In het hebreeuws, de taal van het Oude Testament, staat een woord dat zowel levensadem, als geest betekent. God blies dus Zijn geest in Adam. Zou het kunnen zijn dat daarmee ook de ziel in het lichaam van stof en aarde kwam ? Het blijft gissen, redeneren, filosoferen en/of theologiseren. Maar precies weten we het niet. Maar één ding is mij wel duidelijk, de ziel komt van God. En die ziel verlangt terug naar God. En als wij sterven dan gaat die ziel ook terug. God bewaard de zielen van hen die geslacht zijn om hun geloof zelfs op een bijzonder plek, namelijk aan de voet van het altaar in de hemel. En de zielen van hen die onthoofd waren, omdat ze van Christus getuigd hadden zitten zelfs op tronen. Dat geeft mij de overtuiging dat de ziel niet gerecycled wordt. Wanneer iemand overlijdt dan blijft zijn lichaam, dat aards is op aarde, zelfs in de aarde. Maar de ziel is onaards, onmaterieel, onstoffelijk en keert terug naar Hem die ook onaards en onstoffelijk is; God. Misschien duidt Psalm 8 : 6 hier wel op; “U hebt hem ( de mens ) bijna een god gemaakt”. Door die onstoffelijke ziel, misschien ? Het blijft voor ons verborgen. Men heeft geprobeerd het wetensschappelijk aan te tonen, dat de ziel een mythe is. Maar men is er niet in geslaagd. En het is duidelijk dat een ontzield lichaam, duidelijk anders is dan een levend mens. Onze ziel smacht naar God. Het wil naar huis. Maar waarom ?

De onrust van de ziel.
“Wat ben je bedroeft, mijn ziel en onrustig in mij”, Psalm 42 : 6 en 12 en Psalm 43 : 5. Psalm 43 is een voortzetting van Psalm 42, zij horen onlosmakelijk bij elkaar. Er wordt gesproken over droefheid en onrust. Maar waarom, waarover dan ? Wanneer je de beide psalmen leest wordt dat duidelijk. De dichter klaagt dat hij wordt belaagd door vijanden, die voortdurend roepen “Waar is dan je God”?, Psalm 42 : 4 en 11. Misschien kent u dat ook wel. Men drijft de spot met je geloof. ‘Geloof jij dat nog’ Dat is niet meer van deze tijd, joh’ Ze maken je het geloven moeilijk, misschien brengen ze je wel aan twijfelen. En dat brengt onrust in je ziel. Die ziel die van God komt en die ‘wel beter weet’. En tegelijk wordt je verdrietig. Er zijn er zelfs onder je geloofsgenoten, die je meewarig aankijken wanneer jij weer over je geloof begint. Als je weer spreekt over de hoop die in je is. Als je weer spreekt over de liefde van onze Here Jezus Christus en wat Hij voor jou betekent. Ze verslijten je voor overdreven vroom of overgeestelijkt. Zij praten liever over hun vakantie, hun kinderen, hun carrière en ga zo maar door. Maar jouw ziel verlangt naar de Heer en daarover wil je praten. Ze begrijpen dat niet of willen het niet begrijpen. Wat kan je je dan eenzaam voelen, juist in de gemeenschap van de kinderen van God. Dat je vijanden dat doen, ja, dat verwacht je. Maar je broeders en zusters. Dat geeft verdriet en met weemoed denk je aan betere tijden. “Weemoed vervuld mijn ziel nu ik mij herinner hoe ik meeliep in een dichte stoet en optrok naar het huis van God”, Psalm 42 : 5. De stoet werd steeds dunner en de wereld deed haar intrede. Je wordt belaagd door verkeerde ideeën, valse voorstelling van zaken, spot en hoon. Dan kan zomaar het in je opwellen, die smartelijke heimwee, die klacht en vooral die hulproep. “Zend Uw licht en waarheid, laten zij mij geleiden en brengen naar Uw heilige berg, naar de plaats waar U woont”, Psalm 43 : 3.

Toevlucht voor de onrustige ziel.
Wij zijn op weg naar Zijn heilige berg, wij zijn op weg naar die Stad met paarlen poorten, het nieuwe Jeruzalem. We zijn Pelgrims. En ook vreemdelingen op deze aarde. Onze ziel is hemels. Ze verlangt naar huis. “Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen”? , Psalm 42 : 3. De Pelgrim wordt geplaagd, door belagers en vijanden. Maar wat nog erger is, is dat er steeds meer Pelgrims afvallen. De stoet wordt steeds dunner. Dat maakt bedroeft en onrustig. Kent u dat ook ? Je raakt er ontmoedigd van, het raakt je steeds meer wanneer je de kerken ziet krimpen. Als je het aantal christenen ziet teruglopen. Steeds meer mensen draaien het geloof de rug toe. In een recente peiling blijkt een meerderheid in Nederland niet meer kerkelijk te zijn. En van degene die zeggen dat ze nog wel geloven, geloven de meesten wel in ‘iets’, maar niet meer in de levende God. Wat moet je dan ? ‘Hoe kan ik verder’ ? Klaagt de Pelgrim, die zijn eigen krachten voelt wegvloeien. Want als we niet door gaan, dan komen we niet thuis. Waar komt onze hulp vandaan ? “Mijn hulp komt van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft”, Psalm 121 : 2. “Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt”, Psalm 42 : 6 en 12 en Psalm 43 : 5. Ga naar je Heer, wanneer mensen je belagen, met hun (semi)-wetenschappelijke praatjes, met hun spot en hoon, hun neerbuigende zogenaamde Open mind, met hun quasi geloof. Wanneer broeders en zusters je zo bitter teleurstellen, met hun lauwheid, wereldgelijkvormigheid, kleingeloof en onbegrip. Want God ziet jou, ja echt waar, jou. En Hij redt jou. Kijk maar; “Overdag bewijst God de Heer mij Zijn liefde, s’ nachts klinkt een lied in mij op, een gebed tot de God van mijn leven”, Psalm 42 : 9. Hoe dan ? Door Zijn heilige Geest, die in jou wonen wil en je zal overtuigen van de waarheid. De waarheid van jouw redding door Jezus Christus. Hij brengt jou thuis. Hij geeft de geplaagde Pelgrim kracht. Er wacht een kamer in Gods huis op jou, Johannes 14 : 2. Verlang je er al naar om daar bij Hem te zijn ? Ik wel.
F.L.

Afdrukken