| Basislessen kerk-zijn 4: Leiding - Lucas 6: 39-42 |
|
|
Mensen die jou in de kring rond Jezus brengen en die je binnen die kring bij de hand nemen. De gemeente heeft zulke leiders nodig: ouderlingen, ouders, evangelisten en andere leiders. Veel gemeenteleden zijn op een bepaalde manier leider. Welke eisen stel je aan dat leiderschap. Een preek over de gelijkenis van de twee blinden en de gelijkenis van de splinter en de balk. (Lucas 6:49-42)
Liturgie Bij de preek is een beamerpresentatie beschikbaar
1. De gelijkenis van de balk en de splinter (Lucas 6:41-42)
De gelijkenis verteld voor de kinderen
Twee gelijkenissen van morgen. De gelijkenis van de twee blinden en de gelijkenis van de balk en de splinter. Ik begin met de tweede. Jongen en meisjes, steek je vinger eens uit. Wanneer doe je dat? … Als je boos bent. ‘Jíj wilt altijd met het mooiste speelgoed spelen.’ ‘Jíj moet altijd je zin hebben.’ ‘Van jóú mag ik nooit iets’ Ik denk dat jullie het allemaal wel eens zeggen. En misschien steek je je vinger er wel bij uit: ‘Jíj ook altijd’
De Here Jezus heeft daarover een gelijkenis verteld. De gelijkenis van de balk en de splinter. ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oor van een ander? Kijk eerst maar eens naar de balk in je eigen oog.’ Wat bedoelt hij daarmee? Een splinter in je oog? Het is een soort beschuldiging. ‘Jíj, met jou is het niet goed.’ En wat zegt Jezus dan? ‘Kijk eens naar jezelf. Wat zit er in jouw oog? Een splinter? Nee veel erger: een grote balk.’ Zo’n hele grote balk als we hier in de kerk hebben. Jij vindt dat die ander altijd z’n zin moet hebben? Is dat misschien omdat jij altijd je zin wilt hebben? Ben je zelf niet net zo erg of nog veel erger? Kijk daar eerst eens naar.
Als je je vinger uitsteekt… Kijk nog eens goed naar die vinger. En kijk dan ook eens naar je andere vingers. Waar wijzen die heen? Naar mijzelf! Daar moet je eens goed bij nadenken.
Je zegt wel ‘Jij wilt altijd met het mooiste speelgoed spelen’. Maar is het probleem niet dat jíj altijd met het mooiste speelgoed wilt spelen. Misschien niet hoor. Maar denk er toch eens over na. Als jij je vinger uitsteekt naar een ander, kijk dan ook even naar die drie vingers die naar jezelf wijzen. Ben jij niet net zo erg, of nog erger? Als je je vinger uitsteekt naar je vader of moeder: ‘Van jóú mag ik nooit iets’. Is dat niet omdat jij veel te laat naar bed wilt of te veel snoep of naar een televisieprogramma kijken wat helemaal niet goed is. Is het niet dat jij iets wilt wat niet goed voor je is? Je kunt wel naar een ander wijzen: jij hebt een splinter in je oog. Maar kijk eerst eens naar de balk in je eigen oog. Je ziet het helemaal niet goed, omdat je een balk in je eigen oog hebt.
In de gemeente
Jezus waarschuwt zijn leerlingen hiervoor. En die waarschuwing is nog steeds belangrijk, ook in onze gemeente. Een voorbeeld? Ik hoor het verwijt dat er zo weinig warmte is in de gemeente. Maar soms zijn het juist de mensen die dit verwijt hebben die weinig bijdragen aan een warm klimaat. En als je de anderen in de kerk verwijt dat er zo weinig enthousiasme is in de kerkdiensten… Waar is jouw aanstekelijke enthousiasme? En meeleven: ‘Ik zie nooit iemand uit de kerk’…
In onze gemeente worden veel splinters opgemerkt. Maar kerk zijn betekent ook kritisch naar jezelf blijven kijken. Dat leert de Here Jezus ons. Denk daar aan, iedere keer als je hier in De Voorhof komt en die enorme balken weer ziet.
De balken van het kruis
En verwonder je er over: In de kerk van de Here Jezus is er ruimte voor mensen die splinters en zelfs balken in hun ogen hebben. Ja, natuurlijk niet om dat allemaal maar te laten zitten. Maar bedenk dat deze gelijkenis iets laat zien van het geduld van de Here Jezus. Mensen met splinters en balken aanvaardt hij als zijn leerlingen. Kijk maar naar die balk, niet in je oog, maar naar de balken op Golgota, waar de Here Jezus wilde sterven. Balken om in het oog te houden.
En kijk zo naar jezelf. Naar je splinters, balken misschien, die je zelf maar amper ziet. Wees er zeker van God wil het je vergeven. Jezus laat merken dat er plaats voor je is in zijn huis en in zijn hart. En doe ze weg, vecht er voor om ze weg te doen.
Wel waarschuwen
Help elkaar daarbij. Ja, de bedoeling van deze gelijkenis is niet dat we niets mogen zeggen van elkaars splinters en balken. et op de laatste regel: ‘pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen’. Dat is wel waar de Here op uit is. En dat brengt mij bij de andere gelijkenis, de gelijkenis van de twee blinden.
2. De gelijkenis van de twee blinden (Lucas 6:39-40)
Die gelijkenis is heel eenvoudig en duidelijk. We zien een blinde lopen en hij heeft een gids bij zich, die hem de weg wijst. Maar dit gids is zelf net zo blind. Dat moet natuurlijk verkeerd af lopen. En ja hoor, daar zie je ze al in een put vallen. Jezus zet het beeld heel duidelijk neer, niet stoten of struikelen, maar omkomen in een put. Een blinde die een blinde geleidt, dat is levensgevaarlijk, ja het is onvermijdelijk dat ze omkomen. Hij zegt het als vraag: ‘Zullen ze niet samen in een put lopen’, maar het antwoord is duidelijk.
De gids
Maar wat wil Jezus nu zeggen met deze gelijkenis? Wie bedoelt hij met de blindengeleiders die zelf blind zijn. Je zou kunnen denken aan de joodse leiders. Jezus noemt hen soms blinde wegwijzers (Matteüs 15:14, 23:16,24). Ze brengen het volk op een dwaalspoor, blind als ze zijn voor Jezus, blind in hun haat tegen Jezus. Het is juist vanwege die haat dat de Here Jezus zich terugtrekt met zijn volgelingen en met hen een soort nieuw begin maakt (vgl Lucas 6:11,12,20).
Maar in de bergrede spreekt Jezus niet de leiders van het joodse volk aan, maar zijn leerlingen. Het is een toespraak waarin Jezus zijn leerlingen instructies geeft. Terwijl zijn volk en vooral de leiders hem verwerpen, trekt de Here zich terug en legt de basis voor een nieuw begin. Met iedereen uit het volk die bij hem wil horen. Om te beginnen twaalf leerlingen die hij speciaal aanwijst. Zij krijgen instructies, en alle volgelingen mogen meeluisteren. Ook wij. Zo vertelt hij ook de gelijkenis van de twee blinden. Als een instructie voor de leerlingen. Zíj zullen blindengeleiders worden. En ze moeten van deze gelijkenis leren dat ze zelf niet blind mogen zijn, anders komen ze om samen met de mensen die ze moeten geleiden.
De blinden
En wie zijn de blinden dan die ze moeten leiden? De mensen die de Here Jezus nog niet kennen, uit het joodse volk en later uit de andere volken. Maar je kunt ook denken aan de mensen die tot geloof in de Here Jezus gekomen zijn en nog steeds leiding nodig hebben. Ook daarvoor zullen de twaalf de eerste leiders zijn. Leiders van de gemeente. Vandaag kun je denken aan evangelisten, zendelingen, predikanten, ouderlingen.
En iedere christen die een medechristen of een nog-niet-christen leidt heeft iets van dat leiderschap. Maar in de bergrede wordt dat niet allemaal uitgesplitst. De twaalf discipelen toen en veel christenen vandaag geven leiding aan anderen, door te wijzen op splinters en zo.
Ja, als de Here het over blinden heeft, dan bedoelt hij ons. U hier in de kerk, die de Here Jezus nog niet kent of die hem al heeft leren kennen. Je bent blind als je Jezus niet kent. Het is niet aardig om het zo te zeggen, maar het is wel verhelderend. Wat zal er een wereld voor je open gaan als je Jezus leert kennen. En als je hem wel hebt leren kennen… Ja misschien ben je dan niet helemaal blind meer, maar je hebt nog steeds leiders nodig die je de weg wijzen. Je kijk op de Here en op zijn weg is vaak zo troebel.
Aan slechtziende en blinde mensen toont de Here zijn barmhartigheid door leiders te geven. Zo ziet hij zijn gemeente voor zich. Met leiders die buitenstaanders naar binnenleiden en binnenstaanders bij de hand houden.
De leiding op de weg
En nou komt het er op aan dat die leiders niet blind zijn. Als een blinde een blinde geleid vallen ze allebei in de put. Jezus verwacht van de leiders dat ze scherp zien. En wat? Wat moeten ze zien? Wat moet een gids zien? Nou, natuurlijk: de weg. Waar loopt de weg heen? En hoe is de weg?
Ondertussen maakt de Here Jezus ons weer even duidelijk dat we als gemeente onderweg zijn. Er staat ons een betere toekomst te wachten. Profeten als Jesaja spraken er al van: een wereld vol overvloed en zonder tranen (Jesaja 25:6-9). Jezus maakt in zijn preken duidelijk: dat komt nu dichterbij. Het koninkrijk van God is dichtbij gekomen. Ook in de bergrede spreekt hij over die toekomst. Kijk maar naar het begin: ‘Gelukkig als je nu arm of hongerig bent, als je nu huilt. Er komt een wereld vol overvloed en zonder tranen, zoals Jesaja die al beloofd heeft.’
Ik heb enkele weken geleden over deze beginwoorden van de bergrede gepreekt. Ze gaan opnieuw spreken als je de beelden uit Haïti ziet. Daar is de armoede verschrikkelijk, de honger. Daar wordt gehuild. Het maakt ons duidelijk dat we naar een betere wereld moeten verlangen. Zo’n aardbeving is er ook een voorteken van dat er grote dingen gaan gebeuren. Gods oordeel komt over de wereld. En voor iedereen die in hem gelooft komt er een nieuwe wereld waarin armoede en tranen voorbij zijn.
In de bergrede leert de Here Jezus het leven onderweg naar die toekomst. Wees barmhartig, voor de getroffenen in Haïti –ook straks in de collecte-, maar ook voor anderen. Voor de mensen die om je geloof een afkeer van je hebben: je moet ze liefhebben en voor ze bidden. Wees goed voor alle mensen. Om zo ook mensen voor Christus te winnen. Wees barmhartig voor elkaar om zo een gemeente te zijn onderweg naar Gods toekomst.
Dus om leiding te kunnen geven als ambtsdrager, maar ook als juf, als verenigingsleider, als ouder moet je het reisdoel kennen: Gods koninkrijk. En kritisch kijken naar de kinderen of de volwassenen die je zijn toevertrouwd: is hun levensweg gericht op Gods koninkrijk? Je moet ook de weg kennen als gids.
De weg van Gods geboden? Ik zou het na Jezus anders zeggen: Jezus Christus is de weg. Door hem, door in hem te geloven en hem te volgen kom je in Gods rijk. Hij zegt: bekeer je, want het koninkrijk van God komt dichtbij. Bekering, omkeer naar de Here Jezus die de weg naar God en zijn rijk is. Hem kennen. Vertrouwen op zijn genade. Hem willen volgen in je doen en laten. Dat lijkt heel veel op de weg van Gods geboden. Maar wij mogen die weg kennen als de weg die Jezus Christus is en dat voegt heel veel toe. Hij is die weg voor je uitgegaan. Hij heeft voor je tekortkomingen al bij voorbaat betaald. En Hij wil je de kracht van zijn Geest geven.
En op die weg geeft hij ook leiders. Aan die leiders worden eisen gesteld. Kennis van het doel, kennis van de weg, maar ook zelfkennis. En daarvoor vertelt Jezus die gelijkenis waar we mee begonnen. Doe eerst de balk weg uit je eigen ogen, niet om dan vervolgens een ander niet meer over zijn splinter te durven aanspreken, maar juist om dat daarna wel goed te kunnen doen. Juist wie veel zelfkennis heeft kan een goede ouder zijn, een goede ouderling, een goede leider. Je mag je optrekken aan de Here Jezus. Nee, je staat als leerling nooit boven je leermeester. Maar je mag op hem gaan lijken, je in alles aan hem optrekken.
Waardeer zulke leiders. Luister naar ze, laat je leiden. En wees ook zelf een leider: help anderen op weg, als je daar de gelegenheid voor krijgt.
Want Haïti zegt het, het evangelie zegt het: het koninkrijk van God komt er aan.
Amen |










