|
Op wie zijn je gedachten gericht bij het zingen van een psalm? Op iets vaags? Op God? Of juist op Christus? Op de eerste adventszondag stonden we stil bij deze vraag naar aanleiding van Psalm 118: ‘Gezegend Hij die komt!’ Een preek die je bij de basis wil brengen en tegelijk op de juiste toonhoogte.
Preek A.M. de Hullu - Zondag 29 november 2009 predikant Apeldoorn-Zuid
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Deze preek wordt u aangeboden voor eigen gebruik. De predikant vraagt u eerst contact met hem op te nemen als u deze preek wilt gebruiken voor andere doeleinden zoals het voorlezen in een kerkdienst of als studiemateriaal in verenigingsverband of anders.
|
Liturgie PREEK VOOR DE EERSTE ADVENTSZONDAG Welkom Aansteken adventskaars Openingsbelijdenis Groet Psalm 25:1,2 Wet, Romeinen 13:8-14 Psalm 25:3 Genadeverkondiging: Marcus 10:33,34,45 Liedboek 440 Introductie Psalm 118 Psalm 118:1 Allen r1-2 Vrouwen r3 Allen r4 Mannen r5-6 Vrouwen r7 Allen r8 Lezen Psalm 118:5-17 Psalm 118:7 Vrouwen r 1-4 Mannen r5-6 Vrouwen r7-8 Lezen Psalm 118:22-26 Psalm 118:10 Allen Lucas 19:29-40 Geref. Kerkboek Gezang 79:1,2,3 Preek Psalm 119:40,63,66 Gebed Collecten Psalm 118:9 Zegen
Bij de preek is een beamerpresentatie beschikbaar.
Preek 1. Psalmen: lofprijzing voor de Drie-enige Onze kerk heet De Voorhof. En u, u bent Voorhofmensen, of u bent vanmorgen hier te gast en u bent misschien benieuwd wat dit voor kerk is en wat die Voorhofmensen voor mensen zijn. Nou het zijn heel gewone mensen. Toch? Ja, en toch wil die Voorhof iets extra’s geven in je leven. De voorhof, die had je vroeger in Jeruzalem bij de tempel. Daar is deze kerk naar genoemd. De voorhof bij de tempel, dat was een plek waar je dicht bij God was en waar je de mensen ontmoette die hun leven met God leefden. In de voorhof werd ook veel gezongen. Zoals de beurtzang waarmee Psalm 118 begint: de priesters en de andere mensen zingen elkaar toe: Gods liefde duurt in eeuwigheid. Dat wil onze voorhof ook zijn: een plek om dicht bij God te zijn, om mensen te ontmoeten die met God leven, maar ook om een toontje hoger te komen.
In een donkere wereld –en de donkere tijd voor kerst laat er iets van voelen hoe donker het kan zijn in deze harde en koude wereld- mag je weten dat er een God is. En dat mag je weten, niet een klein beetje, maar het heel erg weten, er vol van zijn, er van zingen. Psalm 118, een psalm die vaak in die oude voorhof gezongen werd wil je daarin meenemen, de psalm wil je een beetje optillen om echte voorhofmensen te worden. We hebben dit jaar veel gesproken over verbondenheid. Een punt wat daarbij boven kwam was: terug naar de basis: samen zien wie God en wie Jezus Christus voor je is. Dat doe je als je elkaar aanvuurt om te zingen van Gods liefde die altijd blijft. Zo’n lied brengt ons bij de basis en tegelijk op grote hoogte. Als het niet alleen met je mond zingt, maar ook met je hart en je gedachten.
Dat brengt me bij een vraag. Voor wie zing je zo’n lied, zo’n psalm? Voor God, of juist voor Christus. Als je zoekt naar verbondenheid, dan in de gemeente dan is de glorie van Christus het richtpunt. Als je je daarop richt groeit je verbondenheid met God en met elkaar. God de grote God is door Jezus Christus dichtbij gekomen. Dat is om je mateloos over te verwonderen. Maar als je nou een psalm zingt, zing je dan voor God, of voor Christus? Een vraag, waar je misschien niet uit jezelf over na gaat denken. Maar ik stel die vraag om mijn en uw loflied meer kracht te geven. Als je mond zo’n psalm zingt, waar zijn je hart en je gedachten op gericht? Ik hoop: niet op iets vaags. Maar op de Levende. Maar is het dan God of Jezus Christus aan wie je moet denken?
- Toen Israël Psalm 118 zong, zong het voor God. Ze konden er nog maar heel weinig van weten dat er een Zoon van God was. Ze wisten dat God op de troon in de hemel zat en zongen hun psalmen voor hem.
- Toch was de Zoon samen met God in de hemel. De zangers op aarde wisten daar niet veel van, maar het was wel zo. Hij deelde in Gods heerlijkheid (Johannes 17:5,24), de lof van de psalmzang was ook voor de Zoon.
- Verschillende psalmen worden in het nieuwe testament op Christus toegepast:
Psalm 68 over het opstijgen van God (vers 19) betrekt Efeze 4:8 op Christus’ hemelvaart. Psalm 62 over Gods oordeel (vers 13) gaat volgens Jezus zelf over het oordeel wat hij zal komen voltrekken (Matteüs 16:27) Hebreeën 1 haalt Psalm 102 aan over God die eeuwig is en altijd dezelfde blijft en betrekt dat dan op Jezus Christus (Hebreeën 1:8a, 10-12). En ook Psalm 97 –voor hem moeten alle goden buigen (vers 7)- wordt op hem toegepast (Hebreeën 1:6).
- Gods Zoon kwam úít de hemel, werd mens, stierf aan het kruis, maar stond ook weer op uit het graf en werd opgenomen in de hemel, op Gods troon rechts van hem. Daar deelt hij in de verheerlijking die God ontvangt. In de openbaring lees je over lofliederen voor God en voor zijn Zoon, het Lam op de troon (Openbaring 5:13, 6:10 e.a.)
Dus als je zingt ‘Gods goedheid duurt in eeuwigheid’ dan is dat een loflied om aan God te denken maar ook aan zijn Zoon Jezus Christus. Zíjn liefde duurt in eeuwigheid. Zo prijs je hem samen met zijn Vader. Want zijn liefde, zijn trouw, zijn rechtvaardigheid, zijn eeuwigheid en veel andere eigenschappen heeft hij samen met zijn Vader. Veel van wat je God toezingt in de psalmen kun je inderdaad voor Christus zingen. En als je Christus prijst voelt zijn Vader zich ook vereerd. Omgekeerd: als je de Vader verheerlijkt straalt dat ook af op de Zoon. Dus denk bij de lofprijzing niet aan iets vaags, maar aan God en ook aan zijn Zoon. Dat maakt je lied levend. Het brengt je bij de basis en tegelijk op hoogte.
2. Psalm 118: lofprijzing voor de Komende Maar als Jerúzalem Psalm 118 voor Jezus zingt… Zie je het voor je? Jongens en meisjes, vanmiddag gaat het in de schatgravers over dat Bijbelverhaal wat we net gelezen hebben. De Here Jezus hij zit op een ezel en rijdt Jeruzalem binnen. En wat doen de mensen? Ze leggen hun mantels op de grond. Daar mag de Here Jezus over rijden met de ezel. Waarom doen ze dat? Als de koningin komt, dan wordt er vaak een rode loper op de grond gelegd waar de koningin over mag lopen. Dan hoeft ze niet gewoon over de straat te lopen. Wij vinden de koningin zo geweldig. We eren haar. Ze mag over die loper gaan. En zo vinden de mensen de Here Jezus geweldig en laten hem over de mantels lopen. Ze zwaaien met palmtakken en ze juichen. Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer. Jezus wordt toegejuicht, want hij komt naar ons toe. Hierover gaat het vanmiddag bij de Schatgravers. En ook dat de Here Jezus naar ons toe kwam met kerst. Als een baby. Over een poosje gaan we dat weer vieren. De Here Jezus, het licht in het donker. Hij is gekomen.
Op het moment dat hij komt in Jeruzalem zingen ze Psalm 118 voor hem. Maar niet het begin ‘Gods liefde duurt in eeuwigheid’. Ze zingen vers 26: Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. En de Here Jezus is blij met hun lied. Zo wil hij geprezen worden. Heel Psalm 118 is een loflied voor de Here Jezus, maar speciaal vers 26. Waarom juist dit vers? Gezegend wie komt in de naam van de HEER. Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER. Of je kunt ook, zoals in de nieuwe Bijbelvertaling zeggen: gezegend wie komt mét de naam van de HEER. Wie wordt daarmee bedoeld? Je zou kunnen denken aan de priester. Die komt met de naam van de HEER en legt die op aan de mensen. Dat is iets prachtigs wat hier nog steeds elke zondag gebeurt. God laat merken: ik wil bij je zijn, overal waar je heen gaat. Geniet daarvan, ook als het straks aan het einde van de kerkdienst weer gebeurt. Maar ik denk niet dat Psalm 118 dat bedoelt met hem die komt in de naam van de Heer. Je krijgt eerder de indruk dat het over een legeraanvoerder of een koning gaat die een zware strijd heeft gevoerd. Hij is de ik-figuur uit vers 5-21 ‘In mijn nood heb ik geroepen ‘HEER’! Hij is sterker dan de mensen. Ze sloten mij in, mijn vijanden, als een zwerm bijen. Maar God maakte mij sterker, hij gaf de overwinning. Bijna was ik gestorven, maar de HEER heeft me gered. Nu wil ik de tempelpoort binnengaan.’ En dan klinkt het antwoord vanuit de tempel: ‘Kom binnen! Gezegend die komt in de naam van de HEER!’ Het is de koning die zo wordt toegejuicht en ingehaald. De koningen waren een bijzonder cadeau van God. Door koningen als David en Salomo zorgde God voor zijn volk. Hij liet merken hoe hij is. Niet een God die ver weg in de hoge hemel zich niks van ons aantrekt. Hij is de komende, die naar zijn mensen omziet. Dat deed hij door een koning als David. En tegelijk… terwijl de mensen God en de koning prijzen om de overwinning bidden ze: Ach HEER, geef ons de overwinning. Ach HEER, geef ons toch voorspoed. Want ze weten dat er nieuwe spannende oorlogen en nieuwe tegenslagen komen. Hoe mooi het is wat je hier op aarde krijgt, er blijft altijd iets van verlangen naar het volmaakte. ‘Gezegend hij die komt…’ is eigenlijk een toejuiching voor een grotere koning dan David. ‘Gezegend’, dat is een lofroep die in de psalmen voor God wordt gebruikt. Je gaat dan denken aan een koning die als God is. En daar komt nog bij wat ze in vers 22 en 23 zingen. Een afgekeurde steen wordt uitgekozen als hoeksteen. Door God zelf. Daarin zie je wat de Here Jezus meegemaakt heeft: door mensen verworpen, maar door God uitgekozen om de belangrijkste steen van een heel nieuw gebouw, de kerk te worden. De gezegende koning, dat is God zelf, dat is Jezus Christus, door wie God zelf naar ons toe komt. Zo wordt hij bij Jeruzalem toegejuicht door zijn leerlingen en door iedereen die mee wil juichen volwassenen en kinderen.
Heel Psalm 118 is een loflied voor Gods trouwe liefde, ook juist door zijn beloften te vervullen door de komst van Jezus. Maar speciaal vers 26 is een lied om voor de Here Jezus. Een juichroep over iets speciaals van God: het komen. Dat is God. Wij mensen lopen steeds weer bij God vandaan. Adam en Eva in het paradijs al. Maar God kwam naar ze toe. God kwam naar ons toe in de kerstnacht, bij de intocht in Jeruzalem. God komt naar ons toe vol genade: Jij loopt bij mij vandaan, maar ik wil jou aanvaarden en vergeven. Als ik zo van hem hoor en als ik zo van hem zing, dan weet ik, dan ben ik er vol van dat Hij mijn God wil zijn. De komende.
3. Psalm 118: kom! Psalm 118 is een psalm die voor God, en voor een koning als David gezongen werd. Maar het vraagt om de Messias, om koning Jezus, gekomen in de naam van de HEER. De afgekeurde steen, die de basis geworden is. Als je naar hem kijkt krijgt vers 5-21 nieuwe betekenis. Daar zingt de koning dat God hem geslagen heeft maar niet aan de door prijsgegeven. Jezus werd wel aan de dood prijsgegeven. Maar juist daarom mag ik zingen: ik zal niet sterven, ik zal leven. Leven, ook na de dood. Met Jezus mag ik Gods poorten binnengaan. De donkerheid van het leven, waar hij in ondergegaan is, daar tilt hij mij boven uit. Hij komt, in hem komt God naar je toe. Om je in beweging te krijgen. Naar God toe. Met je loflied. En met je levensstijl. Kom! Amen |