|
Aan de hand van zijn namen leren we Jezus kennen. Denk bij de naam ‘Christus’ (=’Gezalfde’) vooral aan zijn rol als priester. Lees wat de priesters in Israël betekenden en wat Jezus als priester voor je betekent.
Preek A.M. de Hullu - Zondag 6 september 2009 (avondmaalszondag) predikant Apeldoorn-Zuid
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Deze preek wordt u aangeboden voor eigen gebruik. De predikant vraagt u eerst contact met hem op te nemen als u deze preek wilt gebruiken voor andere doeleinden zoals het voorlezen in een kerkdienst of als studiemateriaal in verenigingsverband of anders.
|
Liturgie Welkom Openingsbelijdenis Groet Psalm 116:1,7,10 Gebed Johannes 1:29-34 Avondmaalsviering, Liedboek Gezang 358 Exodus 40:1-2,12-15 Psalm 133 Preek deel 1 Psalm 27:3,4 Zondag 12 v.a. 31 Preek deel 2 Psalm 118:10 Geloofsbelijdenis van Nicea GK Gezang 165 Gebed Mededelingen Collecten Psalm 56:4 Zegen
Bij de preek is een beamerpresentatie beschikbaar.
Preek
1. Gods gezalfde priesters:
1.1. Glorie Dat stukje brood, wat u zojuist of vanmorgen kreeg, het is maar klein, maar het betekent veel. Het is vol persoonlijke warmte. Iemand geeft zichzelf aan mij en aan u. Jezus Christus. Het is nu een prachtig moment om wat beter naar hem te kijken, naar hem die zichzelf geeft. Wie is hij, hoe heet hij? Vorige week heeft ds. Van de Kamp laten zien dat hij Jezus heet en wat dat betekent. De week daarvoor heb ik het er over gehad dat hij Christus, gezalfde heet. En daar wil ik vanmiddag op doorgaan. Gezalfd, dat betekent dat God hem een bijzondere taak geeft en hem ook de Heilige Geest geeft om dat te doen. Welke bijzondere taak? De vorige keer had ik het over zijn taak om als profeet over God te vertellen. Zo is God. Hij wil dat wij hem kennen. Daarom gaf hij zijn eigen Zoon als profeet. Maar God wil meer. Daarover op deze avondmaalszondag. Als Jezus van God, zijn Vader, de naam Christus -gezalfde- krijgt, dan bedoeld hij niet in de eerste plaats dat hij profeet moet zijn. Bij gezalfden moet je in de bijbel vooral aan priesters denken. We hebben gelezen hoe hogepriester Aäron en zijn zonen gezalfd werden. Dat was een ware kroningsplechtigheid. Daarom ontmoeten we vanmiddag eerst de priester. Dat is het eerste deel van de preek. En in het tweede deel Christus als priester. We lazen net over de zalving van de hogepriester en de andere priesters. (Exodus 40:12-15) Kunt u zich voorstellen hoe de hogepriester er uit zag?
 (tijdens de preek werd deze afbeelding m.b.v. de beamer getoond)
Zo zag hij er ongeveer uit. Het is toch net een koning om te zien. Het gewaad, het borstschild, de tulband –haast een kroon-, alles straalt koninklijke waardigheid uit. En dan moet je bedenken dat Israël nog geen koning had. Terwijl bij de omliggende volken de koning vaak tegelijk de hoogste priester was, wilde God het in zíjn volk andersom: de priester had de hoogste waardigheid onder zijn mensen.
God had daarvoor de stam van Levi en het geslacht van Aäron uitgekozen. Tijdens de woestijnreis hebben de levieten het verschillende keren voor God opgenomen, bij het gouden kalf (Exodus 32:26) en bij Baäl Peor (Numeri 25:12,13). Daarom sloot God een verbond met de Levieten en met Aäron dat zij de priesterlijke waardigheid zouden dragen (Maleachi 2:4).
1.2. Lijden Maar het priesterschap is niet alleen glorie. Het is een wonderlijke mengeling van hoge waardigheid en tegelijk vernedering en straf om leviet te zijn of priester. Ja, ook vernedering en straf. De Levieten hadden niet de rechten die de andere stammen in het joodse volk hadden. Jakob had ooit twaalf jongens gehad en de nakomelingen van ieder van de jongens vormden een aparte stam: de Rubenieten, de Judeeërs enzovoorts. Ieder van die stammen had een apart stuk, zeg maar een provincie van het joodse land. Behalve Levi. Levi en Simeon. Simeon had een stukje deel van Juda gekregen en was daar uiteindelijk in opgegaan. Dat die twee jongens en hun nakomelingen geen eigen plek in het land kregen, dat was een straf van God. Toen ze nog jongens waren gebeurde het dat hun zus Dina verkracht werd en zij het voor haar opnamen. Prima, alleen de manier waarop ze dat deden was buiten proporties. Op een gemene manier doodden ze alle mannen van de stad waaruit de verkrachter kwam. Als hun vader Jakob sterft krijgen ze te horen wat hun straf is. Je leest het in Genesis 4. In vers 5 en 6 kijkt Jakob terug op de gebeurtenis en in vers 7 noemt hij de straf: Vervloekt zij hun grimmige woede, vervloekt hun ontembare razernij. Ik zal hen verstrooien over Jakobs volk, hen over Israël verspreiden. Ze worden verstrooid over het volk Israël. Ze krijgen geen eigen stamgebied. Simeon krijgt een stukje van Juda en gaat daar uiteindelijk in op. En de nakomelingen van Levi worden op een andere manier gestraft. Zij worden priesters. Ze krijgen geen eigen gebied om te leven, maar moeten de andere stammen dienen als priesters en priesterhelpers.
Als het joodse volk op weg is van Egypte naar het beloofde land Kanaän worden onderweg alle stammen geteld. Je leest dat in het boek Numeri, dat betekent tellingen (Numeri 1-4). Levi wordt dan niet meegeteld. Ze worden wel geteld, ze hebben 22.000 mannen, maar ze worden apart gehouden. En als ik u uitleg waarom, dan krijgen we iets wezenlijks van het priesterschap te pakken. Het joodse volk had in Egypte geleefd, eerst als vrije mensen, later als slaven. Toen God wilde dat ze uit dat land wegtrokken had Egypte dat verboden. Maar God liet allerlei plagen over Egypte komen, zodat ze uiteindelijk toch toegaven. Als laatste plaag doodde God in alle Egyptische gezinnen de oudste zoon. Een harde straf. De oudste zonen van de joodse gezinnen mochten in leven blijven. Maar God verlangde dat die oudste jongens aan hem gewijd zouden worden. Toen het volk geteld werd bleken dat er ruim 22.000 te zijn. Vrijwel exact het aantal mannen in de stam Levi. En wat God dan bepaalt is dat de Levieten geen eigen leven als stam krijgen, maar dat ze in plaats van de oudste jongens in de andere stammen aan de Heer gewijd worden. Zij moeten de offers, waarmee de Israëlieten naar God toe komen, op het altaar brengen. Daar zit iets eervols in, maar ook iets angstaanjagends. Zij moeten heel dicht bij de heilige God komen, die met zijn vuur kan doden. Bijvoorbeeld toen twee priesters verkeerd vuur op het altaar legden. Laten we het even lezen uit Leviticus 10.
Aärons zonen Nadab en Abihu deden gloeiende kolen in hun vuurbak en legden er reukwerk op. Maar het was verkeerd vuur dat ze de HEER wilden aanbieden, vuur dat niet voldeed aan de voorschriften van de HEER. Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar, in de nabijheid van de HEER, stierven. Mozes zei tegen Aäron: ‘Dit bedoelde de HEER toen hij zei: “Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid. Het hele volk maak ik getuige van mijn majesteit.”’ Aäron zweeg. (Leviticus 10:1-3)
Naast glorie is het priesterschap ook opoffering. Leven vlak naast de verterende hitte van Gods heiligheid. In dit verband noem ik ook de hoge eisen aan de priesters. Eisen aan hun sociale en seksuele leven. Het is allemaal toewijding en opoffering aan God. Ze mogen ook geen lichamelijk gebrek vertonen. Net als de offerdieren geen lichamelijk gebrek mogen vertonen –je mag God niet afschepen met een afdankertje uit de veestapel- zo mogen ook de priesters geen lichamelijk gebrek vertonen. De priesters zijn ook zelf een soort offers. (vgl Numeri 8)
1.3. In het middelpunt Dit priesterschap in al zijn waardigheid, maar ook met zijn opoffering stond in het middelpunt in Israël. Je kunt de centrale plek daarvan moeilijk overschatten. Dat gebeurt vaak wel. Al meer dan honderd jaar gaat in de theologie het idee rond dat het priesterschap minder belangrijk was dan vaak gedacht. Men beweert dan dat de koning veel meer in het middelpunt stond, net als bij de andere volken. Pas rond de ballingschap zouden de priesters op de voorgrond getreden zijn. En, zo zegt men dan, toen hebben ze de geschiedenis bijgekleurd. Door een bijbelboek als Kronieken, wat na de ballingschap de geschiedenis van Jeruzalem vertelt. En ook door een bijbelboek als Deuteronomium, waarvan men dan zegt dat het pas kort voor de ballingschap ontstaan is, onder invloed van de priesters. Bijna heel de theologie gaat uit van een soort complottheorie, waarbij de priesters de geschiedenis naar zichzelf toegeschreven hebben. En nu zullen de meesten van u niets met dat soort complottheorieën te maken willen hebben –u gelooft gewoon wat er in de bijbel staat- maar u wordt er toch door beïnvloed. Omdat veel boeken over de bijbel er door beïnvloed zijn en minder laten zien van de centrale plaats die de priesters en de tempel hadden. Ongewild heeft dat invloed op ons beeld van de bijbelse tijd. Daarom wil ik het vanmiddag eens de andere kant op trekken: Ga er maar van uit dat de priesters, de tabernakel, de tempel, de offers en de feesten belangrijker waren in het leven van de Israeliet dan je geneigd bent te denken. Toen ze in de woestijn leefden had de tabernakel een grote plek in het midden. Je zag en rook dagelijks de rook van het altaar. Altijd liepen daar priesters rond. Zo was het later ook in Jeruzalem. Drie keer per jaar moest je er heen voor de grote feesten. Dan waren er nog de persoonlijke offers. Voor verschillende zaken moesten de priesters geraadpleegd worden, bijvoorbeeld bij huidvraat, een huidziekte die iets van lepra heeft. Door de priester werd God geraadpleegd. De hogepriester had in zijn borsttas twee stenen om de Here te raadplegen. De priesters gaven onderwijs in Gods wetten. En, wat misschien wel het belangrijkste was: als jij gezondigd had en je bracht een offer om het goed te maken met God, dan was de priester het die zij dat het verzoend was. Dat mocht hij namens God zeggen. Hij was een soort rechter tussen hemel en aarde.
In Israël stond de priester als hoogwaardigheidsbekleder in het midden. Hier draaide alles niet om de vrede en de welvaart die koningen brachten, maar om de vraag hoe je tegenover God staat. Laat dat ook zo zijn in uw leven. U en ik leven niet in dat oude Israël. Maar laat de les van het oude testament zijn dat de priester pontificaal (!) in het midden staat. Er is heel veel belangrijk in je leven, maar vooral: hoe sta je tegenover God? Is het goed tussen hem en jou? Daar wil deze dag u ook weer bij bepalen.
We zingen van de priesterdienst en van God die daarin spreekt uit Psalm 27:3,4
2. Christus, gezalfd tot Gods priester Na alles wat we over de priesters gezien hebben komen we nu bij Christus als priester. (Lezen Zondag 12, v.a. 31 gedeeltelijk)
Jezus was geen leviet, geen afstammeling van Aäron. Maar hij was wel ‘gezalfde’ hij moest zelfs ‘gezalfde’ heten van God. God wilde hem een echte priester laten zijn. Dat zou zijn eer, zijn glorie worden. Maar als je zijn levensloop ziet zie je vooral het lijden en de vernedering die bij het priesterschap hoort.
2.1 Heel de tijd van zijn leven op aarde Je hebt vanmorgen of vanmiddag een stukje brood gegeten en –denk ik- aan de vergeving van je zonden gedacht. Dat kan theorie blijven. Maar bij dat stukje brood gaat het om de ontmoeting met een echte man. Een man… Het begon al toen hij nog een jongen was. Je ontmoet in dit brood een compleet mensenleven, van de geboorte af aan. (Zondag 15, v.a. 37 het begin) Heel de tijd van zijn leven op aarde. Denk aan de verhalen die je kent over Jezus als kind. Toen hij geboren moest worden was er geen plaats in de herberg. Hij moest vluchten voor Herodes. Uiteindelijk kwamen zijn ouders met hem terecht in Nazaret. Geen plaats, dat is een rode draad in zijn leven. Een priesterdraad. Want hoe machtig de hogepriester in zijn uitstraling was, de priesters en levieten waren wel een stam die geen eigen plek hadden in het beloofde land. Toen God zijn volk het beloofde land gaf kreeg iedereen een eigen plek, behalve de afstammelingen van Levi. Jezus hoorde bij een stam die wel een eigen plek hadden: Juda. Hij had recht op een stukje van dat land, in Betlehem, of misschien zelfs in Jeruzalem. Maar daar was geen plek voor hem. Hij werd in die levietenrol geduwd. Voor jou geen plaats. Hooguit ergens achteraf in Nazaret. Het gaat dieper. Als kind al moet hij voelen wat het is om onbegrepen te zijn. Misschien ken je er iets van uit ervaring. Jezus heeft dat zeker gekend. In de hoofden en de harten van de mensen was er niet echt plaats voor hem. Niet zoals hij was.
2.2. Vooral aan het einde daarvan Dat was vanaf het begin van zijn leven. Heel de tijd van zijn leven op aarde. Maar vooral aan het einde. Waar denkt u dan aan? De laatste uren aan het kruis? De laatste dagen, de laatste week? Ja dat was gruwelijk. Maar het zat al in de laatste jaren. Een jaar of drie voor zijn dood begint de tijd van zijn leven waar wij het meeste van weten. Over de eerste dertig jaar bijna niets, enkele typerende verhalen. Bijna alles wat we van hem weten gebeurt in de laatste drie jaren. Die drie jaren beginnen bij de Jordaan. Daar komt de Heilige Geest als een duif uit de hemel op Jezus en blijft op hem. Wat hij al was –gezalfde- dat wordt hij nu nog meer. Hij gaat nu kopje onder in de Jordaan. Na een paar tellen komt hij weer omhoog, maar het is wel een symbool. Verdrinken. Onder het water. Er is geen plaats voor jou tussen de mensen, geen plaats in Gods land. En waarom? Waarom moest Jezus, Gods Zoon een mens worden en tegelijk door de mensen verstoten worden? Hij stond daar in de rij met al die mensen die naar Johannes toegekomen om hun zonden te belijden en zich er van te bekeren. ‘Ik heb fraude gepleegd’ ‘Ik overspel’ ‘Ik kon er maar niet toe komen om die ander te vergeven’ Daar staat Jezus dan tussen. Wat zij gedaan hebben en wat wij gedaan hebben neemt hij op zich. v.a. 37 lezen
Vanaf zijn dertigste wordt Jezus’ leven steeds meer lijden, geen plaats hebben. Op een dag hoor je hem zeggen: ‘De vossen hebben horen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ (Matteüs 8:20) Hij leed een zwervend bestaan, opgejaagd door vijanden waar uiteindelijk zelfs één van zijn vrienden zich bij aansloot. Nog veel meer dan in zijn jeugd was hij onbegrepen. Zelfs zijn eigen vrienden begrepen hem niet. Er was geen plaats voor hem in de harten en de gedachten van velen. Geen plaats in hun huizen. Geen plaats in hun synagogen. De godsdienstige leiders spanden samen met de stadhouder en zijn mensen. De apostolische geloofsbelijdenis noemt Pontius Pilatus. (Zondag 15, v.a. 38) Er was geen plaats voor hem in het recht wat de stadhouder moest handhaven. De onschuldige werd met de misdadigers weggewerkt. Een sprekend symbool is het kruis. Er wordt wel eens gezegd dat een misdadiger aan een paal of aan een kruis gehangen werd om aan te geven dat de aarde hem niet moest en de hemel ook niet. In ieder geval het eerste. Ze werden aan een hoge paal gehangen om te laten zien er voor hen geen plek was in het land, in Gods land. En zo werd Gods eigen Zoon door de mensen van zijn volk uitgekotst. (Zondag 15, v.a. 39) De vloek die ik verdien, uitgekotst worden uit Gods wereld, nam Hij op zich. Hij werd door God verlaten. Daaraan moet ik denken als ik belijd dat hij neergedaald is in de hel. Ik geloof niet dat Jezus na zijn sterven in de hel geweest is, maar wel dat zijn hele leven en vooral de uren aan het kruis een hel waren. Door God verstoten zijn. Geen plaats hebben bij hem. (Zondag 16, v.a. 44)
2.3. Priester en Lam Jezus was een echte priester. De priester had, bij al zijn hoge waardigheid, toch iets van het offer. Hij offerde zijn leven op. Hij voelde als geen ander hoe heilig God was en hoe vurig zijn boosheid over de zonde. Bij Jezus ging het priester zijn nog een stap verder. Hij werd zelf het offer. Johannes noemde hem al: het Lam van God. Zijn opoffering -geen plaats hebben- ging tot de dood. Omdat voor onze zonden niet anders betaald kon worden dan door de dood van Gods Zoon. (Zondag 16, v.a. 40) Zijn begrafenis bevestigde het nog eens: echt dood, geen plaats onder de levenden. (Zondag 16, v.a. 41)
3. Voor u Ik heb u vanmiddag laten kennismaken met de priester en met Jezus als priester. Mensen voor wie eigenlijk geen plek was. Wonderlijk: juist met dat –geen plek hebben- zette God hen in het middelpunt. Ik heb er de tijd voor genomen om u ze u voor te stellen. Maar het gaat me om u. Waarom moest Jezus dit allemaal ondergaan? Waarom moest hij uitgekotst worden, verstoten door de mensen en door God? Omdat God jou plaats gunt. In zijn wereld, in zijn huis, in zijn hart, in het eeuwige leven.
Zo mag je sterven. De dood is een doorgang naar het eeuwige leven. (Zondag 16 v.a. 42) Maar zo mag je ook nu al leven. Leven, omdat je dit leven, deze plek van God gekregen hebt. Jezus heeft zich uit het leven weg laten duwen om jou het leven te geven. Zondag 16, v.a. 43: Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven, opdat de slechte begeerten van het vlees in ons niet meer regeren, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid. Dan wordt je zelf ook een soort priester, ook een soort offer. Maar anders. Niet weggeduwd worden, maar er mogen zijn: helemaal aan God gewijd. Amen. |