Weet u wat een emoticon is? Zo’n rond gezichtje met een glimlach of een droevig mondje of nog een andere gezichtsuitdrukking. Je gebruikt zo’n plaatje om een gevoel uit te drukken: blij, boos of verdrietig. Dinsdag heb ik op catechisatie gevraagd om een emoticon te tekenen bij het gebod van vanmiddag. We hebben het uit de bijbel gelezen. En toen was de vraag: welk gevoel geven deze woorden je. Teken dat in het rondje. Niet iedereen tekende hetzelfde gezichtje, maar de meesten kozen voor ‘neutraal’ Gewoon. Niet blij, niet verdrietig, eigenlijk geen speciaal gevoel.
Ik begrijp dat heel goed. Je hoort het immers elke zondag. En toch van Gods kant ligt er wel heel veel in die woorden. Om blij mee te worden. Of om van te schrikken. Ik denk aan wat ik de vorige keer verteld heb over de woorden waarmee God begon op de berg. Hij presenteerde zichzelf met vuur, bliksem, wolken en rook, met heftige trillingen, met donderslagen, hoornstoten en met de woorden: Ik ben de HEER, jullie God. Ik maak je vrij om tot in met al je vezels vrij te zijn en te leven zoals ik het bedoeld heb. Die kracht ligt achter de woorden van de tien leefregels. En ik hoop dat ik daar vanmiddag ook iets van kan laten zien.
De eerste twee leefregels hangen nauw met elkaar samen. In sommige indelingen van de tien geboden worden ze zelfs als één gebod gezien.
|
Joods |
RK / Luthers |
Gereformeerd |
|
1 Ik ben… |
- Ik ben… |
- Ik ben… |
|
2 Andere goden |
1 Andere goden |
1 Andere goden |
|
2 Godenbeelden |
|
3 Gods naam |
2 Gods naam |
3 Gods naam |
|
4 Gods dag |
3 Gods dag |
4 Gods dag |
|
5-9 …. |
4-8 … |
5-9 … |
|
10 Begeren |
9 Begeren vrouw |
10 Begeren |
|
10 Begeren (rest) |
De samenhang is vooral in de Nieuwe Bijbelvertaling heel duidelijk. Na het eerste en het tweede gebod volgt een belofte. Maar voor die belofte zegt de Here dat Hij een God is die geen andere goden naast zich verdraagt. Die zin volgt op het verbod op godenbeelden, het tweede gebod, maar sluit aan bij de beide geboden, speciaal bij het eerste, geen andere goden te vereren.
De eerste twee geboden vormen een blokje apart: hoe sta je tegenover God?
In het tweede blok, het derde, vierde en vijfde gebod gaat het over de dingen die bij God horen en in de laatste geboden, gaat het over de omgang met je medemens.
- God alleen
- God zoals Hij is
|
Dreiging
en belofte |
|
3-5 Gods naam, Gods dag, het gezag |
|
6-9 Respect voor leven, huwelijk, bezit, waarheid
10 Ook begeerten |
Het eerste blok gaan we vandaag wat beter bekijken. Hoe sta je tegenover God. Je hebt zijn vuur, zijn kracht ervaren. En wat gebeurt er dan in je leven.
- Andere god
-
naast de HERE
-
i.p.v. de Here
-
moderne afgod
- Godenbeeld
-
van andere god
-
van de Here
-
denkbeeld |
Dreiging en belofte:
Wat het doet met
-
God
-
jezelf
-
(klein) kinderen |
De eerste regel zegt: Heb naast mij geen andere goden. Dat betekent dat je de Here als jou God erkent. Je kon je bij de berg Sinaï ook moeilijk voorstellen dat dat je dat niet zou doen. Maar dat er daarnaast nog een andere God is, waar je veel van verwacht. Zoals de Israëlieten dat in Egypte deden. Je maakt het nog een stap erger dan dit gebod als die andere God helemaal in plaats van de HERE komt. Toch gebeurde dat in Israël wel. Maar vaak was het glijdend: Soms wat meer de ene God en soms wat meer de andere God. Wij voor ons moeten hier ook denken aan onze moderne afgoden.
De tweede regel zegt: Maak geen godenbeeld Zo’n beeld zal vaak een beeld van een afgod zijn. In dat geval vallen het eerste en het tweede gebod samen. Maar God heeft ook uitdrukkelijk gezegd dat je van Hem geen beeld mag maken. Een godenbeeld kan ook een beeld van de HERE zijn. B.v. dat gouden kalf. Als we het op onze tijd toepassen, moeten we vooral aan denkbeelden denken.
Bij die twee geboden horen we een dreiging en een belofte. We horen wat het met God doet. Hij verdraagt geen andere goden naast zich, hij is een jaloers God. Je merkt deze woorden horen bij het 2e én het 1e gebod. Daar zit in opgesloten dat het wat met jou doet. En het doet ook wat met je kinderen en kleinkinderen.
In het eerste deel van de preek gaat het over de beide geboden, in het tweede deel over de dreiging en de belofte.
1.1. Het gebod: Geen andere goden
Je wilt ervaren welke kracht God gelegd heeft in woorden als ‘Vereer naast mij geen andere goden’, ‘Maak geen godenbeeld’ Welke kracht hebben zulke woorden in jouw leven? Het helpt als je je eerst verplaatst in de mensen die het toen hoorden.
Een dikke maand nadat ze met hun ogen zagen, in hun oren hoorden en in hun buik voelden dat God vanaf de berg tot hun sprak hadden ze opnieuw een heftige ervaring. Een heel andere ervaring: wachten. Je voelt ongeduld en onrust onder het volk. Je hoort het, je ziet die onrust. Ze verdringen zich om Aäron.
Je hoort wat ze zeggen: ‘…wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.’ Het is een soort leiderschapscrisis. Waar is onze leider gebleven? Wat is er van hem terechtgekomen? Ik proef daar een stemming die me doet denken aan de onrust rond de banken en de beurs. Er heerst onzekerheid, angst. Het vertrouwen is weg.
In die stemming komt de vraag: ‘Maak een god, of misschien goden, die voor ons uit kunnen gaan’ Dat herinnerden ze zich uit Egypte. Daar hadden ze naast de Here allerlei verschillende goden gediend.
Wat gebeurt er hier? Het besef van Gods aanwezigheid is gaan verzwakken. En dan ga je iets anders zoeken waar je vertrouwen in hebt. Wij zouden dat niet direct zoeken in een god die je als een stierkalf kunt afbeelden. Maar bij ons gebeurt hetzelfde: Als het besef van Gods aanwezigheid zwak is dan heb je behoefte aan andere dingen waar je vertrouwen in hebt.
Dat kan in het kringetje van geld-werk-economie-koopkracht zitten. Jezus noemt de afgod Mammon, waar mensen geen beelden van maken, maar die wel echt de plaats van God inneemt. Matteüs 6:24 Vaak niet helemaal, maar een beetje: andere goden naast God. Het is precies zoals in de tijd van Mozes: Je verwacht er gelukkig van te worden Je hebt er veel voor over. Dat kan met geld, carrière of bezit. Je verwacht dat je gelukkig bent als je de top bereikt hebt, als je steeds meer bezit. En je hebt daar alles voor over. Je verwaarloost andere dingen. De lichaamscultuur is ook zo’n afgod. Gezond zijn, er goed uit zien, daar verwacht je gelukkig van te worden en daar heb je veel voor over. En zo zijn er meer moderne afgoden.
Hiertegen wil God je beschermen. Dit zijn heel kwetsbare zaken om je vertrouwen op te stellen. De beurs kan instorten. Met gezondheid kun je problemen krijgen. En wat heb je dan nog over. God wil dat je bouwt op Hem. Dan heb je echt houvast, ook als de economie wankelt. Ja zelfs als er van je lichaam niets meer over blijft. Het is puur bescherming van God als hij je vertrouwen daarop afsnijdt. Blijf bij hem, bij het besef van zijn aanwezigheid.
1.2. Het gebod: Geen godenbeelden
Vereer naast mij geen andere goden. En, zo gaat de HERE direct verder: Maak geen godenbeelden. God is onzichtbaar. Dat heeft Israël duidelijk gemerkt. Toen zijn aanwezigheid bij Sinaï angstig sterk te ervaren was, toen nog kon je hem zelf niet zien. Maar als mens heb je de behoefte om iets tastbaars te hebben waar je vertrouwen in hebt. Dat kan iets naast God zijn. Zoals toen de godenbeelden van de afgoden. Het kan ook zijn dat je God zelf dichterbij wilt halen door een afbeelding van hem. Zoiets líjkt het geval te zijn bij het gouden kalf. Of misschien is het alleen maar een poging van Aäron om de zaak van de HEER te redden. Wat hier gebeurd is dat Israël zich een beeld vormt van een macht waar het vertrouwen in heeft. En daar wordt dan de naam van de HEER aan gegeven.
Een afbeelding van iets wat in de hemel is: de zon die tussen de horens van de stier is afgebeeld. En een afbeelding van iets wat in de beneden op aarde is: een sterke stier. Het tweede gebod noemt ook nog de mogelijkheid om iets af te beelden wat in het water onder de aarde is. Het water, dat is lager dan het aardoppervlak. Je zou b.v. een walvis als God kunnen afbeelden. Maar dat is hier niet het geval. Een stier is net als de zon een symbool van kracht, van levenskracht. Dat is wat ze in hun hoofd hadden: zo’n god, zo’n macht hadden ze nodig. Die maakten ze en die noemden ze HERE. Vanuit hun eigen denken en behoeften vormden ze zich een beeld van hoe de HERE moest zijn en hoe hij dus ook wel zou zijn. Ze hebben behoefte aan een sterke leider, ze maken een beeld wat alles heeft van die sterke leider en ze hem HERE.
Gebeurt dat vandaag ook? Zeker. Niet met zo’n gouden beeld, maar wel met denkbeelden. Om even dicht bij de economie te blijven: het idee, dat je als je veel bidt en trouw doet wat God wil dat het dan wel goed zal gaan in economisch opzicht. Een welvaartsevangelie. Je maakt je een God naar jou behoeften. Dat zit heel dicht aan tegen de Mammon als afgod. Alleen je hebt je denkbeeld dan HERE genoemd. Een variant daarop is het idee dat je met bidden en gelovig leven genezing bij God kunt afdwingen. Wat dan weer heel dicht tegen de gezondheidscultuur als afgod zit. Je kunt ook het denkbeeld maken van de HERE als een genadeloos strenge god of juist als een sullige god die alles verdraagt.
Het is ook een soort van andere goden dienen. Je hebt zelf een god bedacht. Alleen je noemt hem dan niet Baäl of Zeus. Maar je noemt hem HERE. Dat is niet hoe de HERE werkelijk is, maar zoals jij een denkbeeld van hem gemaakt hebt. Het is jouw God en niet Hem zelf. Dat beeld komt tussen God en jou in te staan.
Je kunt God niet in een beeld vatten. Hij is altijd groter. En zo wil Hij er in je leven zijn. Hij wil levendig aanwezig zijn. Een beeld wat jij van hem maakt versteent. Hij wil steeds opnieuw laten merken hoe hij er voor je is. Dat gebeurt als je telkens weer in de bijbel leest. Dan vorm je niet je eigen beeld van hem, maar dan laat Hij je merken hoe Hij is. Dan blijft het besef van zijn grootheid en aanwezigheid je leven bepalen.
Er is een God die groter is dan jij kunt bedenken. Die wil er zijn in je leven.
Laten we zingen Psalm 145:1
2. Dreiging en belofte
De HERE is een geweldig God. Je doet jezelf tekort als je je vertrouwen op iets anders stelt. Ook als je je eigen voorstelling van Hem maakt.
Je doet hem ook te kort. In de dreiging en belofte na de eerste twee geboden lees je eerst wat het Hem doet. En dat hebben we ook duidelijk gemerkt in het verhaal van het gouden kalf. De HERE is diep geraakt als je dat doet. Je merkt hier het zelfde vuur als op de berg Sinaï. Het vuur waarmee God aanwezig wil zijn in je leven, dat keert zich tegen je als je het zoekt bij iets anders dan hem of bij jouw denkbeeld over hem. Als je Hem, zoals Hij is wegduwt uit je leven. Hij is een jaloers God, een God die geen concurrenten naast zich duldt. Zo geweldig als het voor hem is als je bij zijn aanwezigheid leeft en vertrouwen op hem hebt en toewijding -hoe eenvoudig ook, misschien een klein begin- zo diep is gekrenkt als je hem wegduwt uit je leven.
Wat doet dat met jou? Laat ik aan de kant van de dreiging beginnen. Als die jaloerse God met al zijn kracht zich tegen je keert, dan loopt het slecht af. In het Bijbelverhaal zag je dat. Duizenden doden. Zo gaat het ook als ik God uit mijn leven wegduw. Dan is een gruwelijke hel mijn toekomst. Lijden onder Gods eindeloze straf is het ergste wat er bestaat. En dat verdien je ook. Want je maakt je er schuldig aan dat je andere dingen: je geld of je gezondheid belangrijker vindt dan God. God wegduwen uit je leven, ik weet wel zeker dat wij allemaal moeten toegeven dat we dat doen.
Maar we merkten in het verhaal ook dat God de kans gaf om opnieuw voor de HERE te kiezen. Mozes heeft er voor gepleit en er ís vergeving bij God. En Jezus pleit daar ook steeds voor. Ook nu. God wil vergeven. En als je dan opnieuw voor de HERE kiest, dan maakt zijn aanwezigheid je leven rijk.
Dat is niet alleen voor jezelf, maar ook voor je kinderen. Ook voor je kleinkinderen, het derde geslacht en het vierde, de achterkleinkinderen. De dreiging én de belofte. De dreiging. Als ouders van de HERE beginnen te vervreemden, God minder plaats geven in hun leven en leven bij denkbeelden van hem, dan gaan de kinderen daar vaak in verder. En dan gaat Gods straf verder naar de kinderen en de kleinkinderen. Dan moeten zij boeten. Ouders hebben een grote verantwoordelijkheid. Niet zo, dat kleinkinderen automatisch gestraft worden voor de zonde van hun grootouders. Er staat ‘wanneer ze mij haten’. Als die kleinkinderen zelf God haten, speelt hun opvoeding daarin een grote rol, maar worden ze door God gestraft voor hun eigen haat. En als ze God, ondanks hun opa en oma en hun ouders toch gaan liefhebben worden ze niet gestraft.
Ouders hebben een grote verantwoordelijkheid. Ook positief. Als ze God blijven liefhebben blijft God duizend geslachten lang zijn liefde betonen. Tot in het oneindige. Ouders mogen de liefde die ze van God ervaren doorgeven. Zo hebben ik en velen van u God en zijn liefde leren kennen. God gebruikt mensen om jonge mensen te laten geloven.
Jong en oud mogen samen genieten van Gods grootheid en aanwezigheid in je leven.
Amen.