• De-Voorhof-ons-kerkgebouw
  • bijble-als-richtsnoer
  • omhoog-kijken-naar-God
  • De Voorhof is ons kerkgebouw.
  • Wij zien de Bijbel als richtsnoer voor ons leven.
  • Wij zijn God dankbaar voor wat Hij ons hier geeft.

Nadenkertje

Het is beter om een klein werkje goed te doen dan een grote klus half.

Kerkdiensten

Afdrukken

Geloofsbelijdenis (Ruth 1:16b)

Op het Pinksterfeest deden in de middagdienst twee jongeren belijdenis van hun geloof. We lazen uit het bijbelboek wat het joodse volk op Pinksteren leest: Ruth. De preek ging over de belijdenis van Ruth (1:16b)

 


Preek A.M. de Hullu - zondag 27 mei 2012
predikant Apeldoorn-Zuid
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Deze preek wordt u aangeboden voor eigen gebruik. De predikant vraagt u eerst contact met hem op te nemen als u deze preek wilt gebruiken voor andere doeleinden zoals het voorlezen in een kerkdienst of als studiemateriaal in verenigingsverband of anders.

Liturgie
Welkom
Mededelingen
Psalmen voor nu 84
Stil moment
Openingsbelijdenis
Groet
Geref. Kerkboek Gezang 107:1,4
Gebed
Lezen Handelingen 2:1-13
Geref. Kerkboek Gezang 167
Lezen Ruth 1, tekst vers 16b
Opwekking 518
Preek
Psalm 16:1,3
Motivatie van de belijdeniscatechisanten
Liedboek Gezang 360:3
Belijdenisvragen
Zegen
GK Gezang 10
Apostolische geloofsbelijdenis (GK 179a)
Gebed
Collecten
Opwekking 710
Zegen
Preek
Heer, u bent mijn God.Gemeenteleden, jullie God is ook mijn God. Dat is wat onze belijdeniscatechisanten straks zeggen. Ja, eigenlijk hoef je maar één woordje te zeggen: ‘Ja’. In het Portugees is het, denk ik, ‘Sim’, in het Hongaars ‘Igen’, maar jullie zeggen straks in het Nederlands ‘Ja’[i]. Maar wel een woordje waarmee je jezelf geeft om ergens bij te horen. Om bij Iemand te horen, bij God. Twee dingen die bepalend zijn voor wie je bent. En of je er nu bij opgegroeid bent, zoals jullie beiden, of dat je er -zoals anderen van u misschien- vreemd tegen aan kijkt, het is een grote stap: Heer, u bent mijn God. Gemeenteleden, jullie God is ook mijn God en jullie zijn de mensen waar ik bij hoor.
 
Voordat jullie je geloof belijden, kijken we samen naar iemand die deze stap ook gezet heeft. Net als jullie beiden geboren in een ander land. Ruth, uit Moab. Ze trouwde met een jongen die uit een allochtoon gezin. Uit Israel. Machlon heette die. Nog voordat ze kinderen krijgen overlijdt hij, net als zijn vader en zijn broer. En dan maakt Ruth een verrassende stap, ze gaat met haar schoonmoeder naar haar land en haar stad: Betlehem. Ik zal er straks nog iets meer over vertellen hoe groot die stap is. ‘Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God’ is haar belijdenis.
 
Hoe kon Ruth tot die belijdenis komen?   Hoe kon ze die stap maken? Daar kunnen wij wat van leren. Als je vanmiddag belijdenis doet, maar ook als vanmiddag in de kerk zit en nadenkt over belijdenis doen. En ook als het nog ver weg is, of als je al lang belijdenis gedaan hebt. Wat geeft Ruth nou, dat ze die belijdenis kan afleggen?
1. Genade
Laten we maar eens goed naar haar belijdenis luisteren. Dan begin ik bij de laatste woorden: Uw God is mijn God. Uw God… De God waar Naomi over vertelde, dat hij hemel en aarde gemaakt had. De God waarvan ze, ondanks haar tegenslagen, geloofde dat die alle dingen in zijn macht had. De God die een speciale band met het volk Israel had. En ze hadden gehoord dat hij na een tijd van hongersnood weer zorgde dat het volk Israel het beter had. Een machtige goede God, ook al kun je hem niet altijd begrijpen. Ruth zegt: die God van u dat is mijn God ook.
 
Hij ís ook een God, waarvan het geweldig is als hij jouw God is. Want hij heeft alles in zijn macht. Bij hem ben je in goede handen. Het is prachtig om te zeggen: die God is mijn God. Aan u vertrouw ik mij toe, voor u wil ik leven. Dat maakt je leven goed. Ook als dingen tegen zitten en misschien zelfs heel erg tegen zitten.
 
Alleen: mag je dat zomaar zeggen: ‘die God is mijn God’? Wat zou God er van vinden als je zegt: u bent mijn God. God is geen politicus die afhankelijk is van jouw bereidheid op hem te stemmen en die alles over heeft voor jouw stem. Hij is Gód. Ruth kan wel zeggen dat ze bij God wil horen, en jij kunt wel zeggen dat je bij hem wilt horen, maar mag hij dat ook nog even zelf uitmaken?
 
Ja, je moet niet denken dat het vanzelfsprekend is dat je bij God mag horen. Je moet eens letten op Naomi, hoe die reageert op Ruth. ‘Ga terug naar huis’ eerst tegen Ruth en haar schoonzus Orpa samen. ‘Daar zul je gelukkiger worden dan wanneer je met mij meegaat.’ En later als Orpa al teruggegaan is: ‘Ga jij nou ook maar terug naar je eigen volk en je eigen god’.
 
Sommige Bijbellezers zijn nogal verontwaardigd over Noami’s reactie. Anti-evangelisatie noemde een dominee het. Je gaat toch niet tegen iemand die in God wil gaan geloven zeggen: ‘Je kan maar beter geen christen worden.’ Misschien ben je vandaag als een keer als gast in de kerkdienst. Maar er stond niemand bij de deur: ‘Je kunt maar beter terug gaan’ ‘Blijf maar atheïst, dat past beter bij jou.’ ‘Je kan maar beter niet met mij naar de kerk gaan’ Dat zeg je toch niet? Nee, dat zeg ik niet, en dat moet u ook niet zeggen. Maar Naomi leefde in een andere tijd. Voor haar is het joodse volk een apart volk met zijn eigen God. Dat verhaal wat we net lazen over die apostelen van Jezus die alle talen gingen spreken dat was voor haar nog volkomen buiten beeld. De Heer had zich aan Israël verbonden. Tegen Abraham had hij gezegd: Ik wil jouw God zijn en de God van je kinderen en je afstammelingen. Dat was een voorrecht, dat de God van de hemel tegen een aards mens zegt: Ik sluit een verbond met je. Ik wil jou God zijn. Het is genade als die ontzagwekkende goede God wat wil.
 
Dat wilde hij met Abraham, met Israël. Zo kende Naomi hem. Bedenk dat even als je verontwaardigd bent over Naomi’s anti-evangelisatie. Evangelisatie was eigenlijk geen issue voor Pinksteren. En toch… Juist tegen Abraham heeft God gezegd dat door hem alle volken gezegend zouden worden. Abraham had een voorrecht, bij God mogen horen. Maar het zou uiteindelijk voor alle volken zijn. En daarom mag ook Ruth uit Moab zeggen: Uw God is mijn God. Haar woorden sluiten bijna letterlijk aan bij wat God tegen Abraham zei: Ik wil jou God zijn en die van je kinderen. Ik maak je tot een groot volk. Ook Ruth uit Moab mag bij die belofte aansluiten: Heer, wees mijn God. Het is een klein voorproefje van Pinksteren: Gods belofte voor alle volken. Je voelt in het boek Ruth dat God daar naar toe wil. Dat merk je in die belijdenis van Ruth. En als we de volgende weken verder lezen dan merken we ook hoe God Ruth aanvaardt. Je merkt het ook in alles wat er verder gebeurt in Ruths leven. Ze trouwt en krijgt een zoon: Obed. En het einde van het verhaal van Ruth noemt een rijtje afstammelingen. Obed, zijn zoon Isaï, en zijn kleinzoon David. En als je het lijstje langer zou maken, zou je uiteindelijk bij Jezus uitkomen. Daar wil God naar toe. Dat Jezus geboren wordt geboren, het lam van God dat de zonde van de wereld op zich neemt. Dan wordt het echt Pinksteren. Dan mogen mensen uit alle volken komen en zeggen: Jullie God is ook mijn God. Maar het is een wonder van genade.
 
In het verhaal van Ruth zie je het wonderlijke dat die ene Moabietische God mag belijden. Als je dat wonder ziet, dan zie je Pinksteren een ware explosie van Gods genade is. En dan zie je het ook als een geweldig wonder dat jullie, geboren in Hongarije en Brazilië mogen zegen: U bent mijn God. En Gods genade is zo groot dat u, dat jullie het allemaal mogen zeggen: U bent mijn God.
 
Ik wil jullie meegeven het woord genade als een belangrijk woord van vanmiddag te onthouden. Belijdenis doen is voor alles genade. En hou bij alles wat je hoort en denkt en zegt over God in de gaten dat genade het eerste woord is. Als er iets is wat ik jullie voor je leven met God wil meegeven is het wel dat. Laat je denken over God doortrokken zijn van zijn genade. Je gevoel. Je spreken over God. Helemaal in het midden staat dit: Hij is de God die zijn eigen Zoon een mens, een verre achterkleinzoon van Ruth liet worden om de straf voor jouw zonde te dragen, zodat het goed is tussen God en jou.
2. Geest
Ik wil je nog een tweede woord meegeven. Kijk nog even naar Ruth. Het is een wonder dat ze het mág zeggen: U bent mijn God. Het is ook een wonder dat ze het dóét.
 
De overstap van het ene naar het andere volk en naar een andere godsdienst, dat is niet niks. Het is niet zo gek dat dat voor Naomi min of meer buiten beeld is. Het is niet alleen maar het kleine verschilletje dat je bij het bidden niet meer Kamos zegt, maar God. Nee het is ook een verschil van: hoe zie je God? Is hij heen God voor wie je vooral je best moet doen, moet presteren om wat voor elkaar te krijgen. Of is genade, gratis het kernwoord van je geloof. Is het een geloof met prostitutie in tempels, vruchtbaarheidsriten en zo meer. Of een geloof waarbij seksualiteit alleen voor de huwelijksrelatie bestemd is. Met al zulke dingen krijg je te maken. Van geloof veranderen, dat betekent dat er tussen je oren een heleboel moet veranderen.
 
Net als wanneer je nu atheïst bent en gaat geloven. Dan ga je echt heel anders denken. Het bestaan van een God die je niet kunt zien en die niet in denkpatroon past. Maar ook het verschijnsel genade wat onze prestatiecultuur doorkruist. En je hele levensstijl komt op z’n kop te staan: je zondag, je ontspanning, je gespreksonderwerpen en noem maar op. Ook voor jullie betekent het: anders zijn dan veel anderen om je heen. En dat kan. Ja, als je nog twijfelt: het kan.
 
En niet maar voor een poosje, een bevlieging. Nee, Ruth heeft het over: daar wil ik begraven worden. Dit is voor mijn hele leven. En dat is wat jullie straks ook gaan beloven. Absurd eigenlijk als je 18 bent. En toch: het kan.
 
Hoe? Ook dat zie je pas heel duidelijk op het pinksterfeest. Het kan door de Heilige Geest. Hij heeft je het geloof gegeven en allerlei gaven en hij zal dat blijven doen. Kunnen geloven en blijven geloven, dan gebeurt er iets in je zelf wat je niet helemaal kunt begrijpen, waar je niet de vinger op kunt leggen, maar het gebeurt toch.
 
Blijf hem ook steeds in je denken en je bidden betrekken. Een tweede woord om uit deze preek mee te nemen, weer met een G: de Geest.
3. De gemeente
En dan zit er nog iets in die belijdenis van Ruth. ‘Uw God is mijn God’, zei ze.  Dat mocht ze zeggen en dat mogen jullie zeggen door Gods genade en dat kun je door Gods Geest. Maar ze begint met iets anders: ‘Uw volk  is mijn volk.’ Ruth komt tot geloof in God, doordat ze contact gekregen heeft met een jongen uit Gods volk. Zo gebeurt dat nog steeds. Tot geloof komen en blijven geloven, daar spelen mensen een rol in. Dat kan een verkering zijn, maar ook allerlei andere contacten tussen mensen. God en het geloof in God is nooit los te zien van het volk van God. Dáár gaat Ruth haar plek in innemen.
 
Belijdenis doen van je geloof betekent eigenlijk altijd dat je erkent dat mensen een rol gespeeld hebben in jouw weg naar God toe en dat je daar nu zelf ook in mee gaat doen. Mensen helpen en je door anderen laten helpen. Kerk zijn dus. Gods volk, nu niet alleen in Israel, maar in de hele wereld.
 
Belijdenis doen betekent dat je tegen de gemeente zegt, zoals Ruth tegen Naomi: Jullie God is mijn God, Jullie zijn mijn volk, de gemeenschap waar ik bij wil horen. Dat is dus nog een derde G-woord: gemeente.
 
Drie G-woorden: Gods genade, Geest en gemeente wil ik jullie en u allemaal vanuit die belijdenis van Ruth, een klein pinksteren meegeven.
Een G is een letter met een haak. Zie het maar als een soort kapstok, waar je een heleboel aan op kunt hangen. Gebruik die drie woorden om denken als Christen te laten beheersen. En laat God op die manier richting geven aan je leven. Dat klinkt misschien nog wat vaag.
 
Ik geef een paar voorbeelden.
Wij leven na Pinksteren. De anti-evangelisatie-actie van Naomi is in onze tijd ondenkbaar. Probeer het geloof wat voor jouzelf belangrijk is aan anderen door te geven. In een gesprek met een medestudent of b.v. een evangelisatieproject. Dat heeft alles met genade te maken. Jij leeft van Gods genade en je gunt dat een ander ook. Namens die genadige God mag je uitnodigen en trekken. Je zult het moeilijk vinden. Ja, maar je hebt die tweede G van de Geest. De Geest die jou het geloof geeft is machtig om je ook in te zetten om anderen het geloof te geven. Ik beloof je niet dat dat bij die ander ook zal gebeuren, maar wel dat hij jou er alles voor kan geven wat je nodig hebt. En nou kan het gebeuren dat op die manier iemand tot geloof aan het komen is en dat die denkt: ‘ja maar een kerk, dat is niks voor mij’ en dat jij ook eigenlijk denkt dat je de kerk er maar beter buiten kunt houden, het is toch het belangrijkste dat je in Christus gelooft en misschien ben je eigenlijk ook wel een beetje bang om die ander mee te nemen naar jou kerk. En toch mist dan nog de derde G van de gemeente, van jouw volk, dat ook zijn volk moet worden. Wat hij om te beginnen ook nodig heeft en waar hij gaandeweg zijn inzet ook verlangt. Dan zal de Geest je ook daarbij moeten helpen.
 
Als je je inzet in de gemeente loop je tegen mensen aan waar je geen click mee hebt, waar je in terleurgesteld raakt of die je als lastig ervaart. Dan ben je dus met de derde G, die van de gemeente bezig, maar ik zou iedereen heel erg willen meegeven: laat je denken over die derde G beheerst worden door de eerste: genade. In de gemeente ben je samen met zondaren die van genade leven en elkaar zo moeten accepteren, ruzie maken, vrede sluiten en nog veel meer. Maar niet accepteren bestaat niet. En ook daar heb je soms veel van de Geest voor nodig.
 
Probeer die drie van Gods genade, Gods Geest en Gods gemeenschap regelmatig op te merken bij het Bijbellezen. Dat geeft je houvast aan de rode draad van de bijbel.
 
Geloven, je geloof belijden en blijven geloven… Het is bij Ruth, bij jullie en bij u en mij een groot wonder. Van de genade dat ook jij bij God mag horen. Van de Geest die je het geloof geeft. En van de gemeente, de mensen die God daarbij aan elkaar geeft.
Amen.


[i] De beide belijdeniscatechisanten waren geboren in het buitenland.