| Volharding (1 Tessaloncenzen 3:4-8) |
|
|
De laatste weken van het liturgisch jaar besteden we aandacht aan de terugkomst van Jezus. We lezen de gelijkenissen uit Matteüs 25 en gedeelten uit Paulus’ eerste brief aan de Tessalonicenzen. De eerste preek uit deze serie gaat over de gelijkenis van de 10 meisjes (Matteüs 25:1-13) en over Paulus dankbaarheid voor het geloof van de Tessaloncenzen (3:4-8).
Liturgie
Welkom
Mededelingen Oefenen Gereformeerd Kerkboek Gezang 43 Stil gebed Openingsbelijdenis Psalm 119:12,13 Wet en 1 Tessalonicenzen 3:12-13 Psalm 119:14 Gebed Genadeverkondiging: 1 Tessalonicenzen 5:9-10,24 Gereformeerd Kerkboek Gezang 118 1 Tessalonicenzen 1:1-10 1 Tessalonicenzen 3:4-8 (tekst) Psalm 85:3,4 Matteüs 25:1-13 Gereformeerd Kerkboek Gezang 43 Preek Psalm 97:1,4,5 Gebed Collecten Gereformeerd Kerkboek Gezang 142:1,2 Zegen (De preek begon met een kindmoment waarbij de kinderen op het scherm van de beamer een olielampje zagen. En de gelijkenis kort voor ze verteld werd) Wat wil de Here Jezus hier mee zeggen? Ook wij krijgen een feest: Jezus komt terug en dan wordt het groot feest. Zoals die meisjes op de bruidegom wachten, zo wachten wij op de Here Jezus. Maar pas op dat je lampje niet uitgaat. Je lampje, je geloof, dat je bij de Here Jezus hoort. Want als je lampje niet brandt als Jezus terugkomt, als je niet in hem gelooft, dan hoor je niet bij hem. Dan wil hij je niet op je feest hebben. Wat leren we van dit verhaal: Raak je vlammetje, je geloof in Jezus niet kwijt. Blijf bij hem horen. Jezus komt terug. Hij zorgt dat er een groot feest komt. En wat hij van u van jou verlangt is dat het lampje blijft branden. Dat je blijft geloven, dat je volhoudt. Dat verlangde Jezus toen hij zijn leerlingen op aarde achterliet tot zijn terugkomst. Dat ze zouden blijven geloven en dat ook de anderen die er bij kwamen het geloof zouden volhouden tot de dag van zijn terugkomst. En datzelfde verlangen zie je bij Paulus. Toen hij nog niet zo lang in Griekenland was kwam hij in Tessaloniki (op het scherm verscheen een kaart). Tegenwoordig de tweede stad van Griekenland. Door zijn preken ontstond een gemeente, maar Paulus moest al snel vluchten en de jonge gemeente achterlaten. Hij stuurt ze een brief, de oudste brief die wij van Paulus hebben. In deze brief merk je dat Paulus, net als Jezus in de gelijkenis, vol is van het onderweg zijn naar de terugkomst. Volharding tot het einde in het spoor van Paulus:
1. Zorg hebben om elkaars geloof (vers 4 en 5b) Wat er uitspringt in deze bijbelverzen is wel hoe Paulus betrokken is bij het geloof van de mensen in Tessaloniki: Ik kon het niet langer uithouden. Ik wilde het weten. Ik was bang. We verlangen er vurig naar elkaar te zien. We zijn gerustgesteld. In haast elke zin merk je hoe vol Paulus er van is. Hij heeft ze –Paulus heeft het over zijn inspanningen- mogen vertellen van de redding door Jezus en ervaren dat mensen tot geloof in Jezus kwamen. Mensen die zonder Jezus verloren zouden zijn. Misschien kent u die ervaring. Dat jouw woorden er aan bijdragen dat iemand tot geloof komt en zo gered wordt van de eeuwige ondergang. Je hebt het misschien zien gebeuren in je gezin of in andere contacten. Het is iets groots als je ziet wat er dan in een mens gebeurt. Maar ook groot als je naar de toekomst kijkt. Het maakt het verschil of je eeuwig leeft of eeuwig sterft. Denk aan de gelijkenis: we zijn op weg naar een groot feest met Jezus als bruidegom. Maar zal de deur voor jou open staan of dichtgaan? Als je iemand tot geloof ziet komen, daar wordt het verschil gemaakt. Paulus heeft de bijzondere ervaring meegemaakt dat dat gebeurde bij mensen in Tessaloniki. En dat bezorgt hem een bijzondere spanning: Zullen ze blijven geloven. Zal het vlammetje blijven branden? Dezelfde zorg die spreekt in de woorden die we van Jezus hoorde. Zullen ze blijven geloven? Paulus maakt zich daar zorgen over. Vers 3: Toen we bij u waren hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond. Die is dan ook gekomen zoals u ondervonden hebt. Tegenspoed. Daarbij kun je denken aan tegenslagen in je leven, in je gezin, je werk of je gezondheid. Als je met ernstige ziekte te maken krijgt kan het een kwelling zijn te ervaren dat het mensen niets met God te maken willen hebben voor de wind gaat en dat jij het één na het ander te verdragen krijgt. Zoals de dichter van Psalm 73 daarmee worstelt. Het kan je geloof aan het wankelen brengen. In vers 5 gaat Paulus nog wat dieper in op zijn zorg. Ik kon het niet meer uithouden… Ik wilde weten of uw geloof standhield… Want ik was bang dat de verleider u verleid had. Paulus, met dat wonder van het geloof wat hem gegrepen heeft voelt zich oog in oog staan met een gevaarlijke tegenstander: de verleider, de duivel. En daar hebben ook wij persoonlijk allemaal mee te maken. Hij gebruikt vervolging, hij gebruikt andere tegenslagen, maar vooral gebruikt hij de tijd. De tijd die verstreken is sinds je tot geloof kwam. De tijd heelt alle wonden, zeggen ze wel eens. Wel, het geloof zou je ook met een wond kunnen vergelijken. Je breekt met het leven zonder God, daar wil je niet bij horen. Je moet in eigen vlees snijden. Wie tot geloof komt, of het nou vanuit een ongelovige achtergrond is of vanuit een christelijke opvoeding, wie zich laat dopen of belijdenis doet, kan heel vol zijn van de band met Christus, van de redding en van het anders zijn. Maar de tijd die alle wonden heelt, satan gebruikt die om je ook van dat sterke geloof te genezen. Stukje bij beetje wordt het verschil tussen jou en een ongelovige kleiner. Tot er uiteindelijk aan de buitenkant niets meer te zien is. En aan de binnenkant? Hoe groot is het verschil nog? Hierover is Jezus bezorgd, Jezus, die je redder wil zijn. Hij is bezorgd dat het vlammetje uitgaat. Ook Paulus kent die zorg voor de gelovigen, die hij maar kort heeft kunnen begeleiden. Kent u die zorg voor uw medegelovigen? In Iran, in De Voorhof? 2. Informeren naar elkaars geloof (vers 5a) Paulus maakt zich niet alleen zorgen over het geloof van de gemeente, hij informeert er ook naar. Hij heeft daar veel voor over. Timoteüs, een belangrijke medewerker die van alles voor Paulus doet, moet dat alles even laten rusten om zich aan één taak te wijden, een reis naar Tessaloniki. Want Paulus houdt het niet langer uit, hij moet weten of ze blijven geloven. 3. Bij zijn met elkaars geloof Er is nog één ding wat we uit deze woorden van Paulus kunnen leren: Blij zijn met elkaars geloof. Timoteüs is terug gekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Ik weet niet of het toevallig is, maar Paulus gebruikt voor dat goede bericht hetzelfde woord wat ook voor het evangelie gebruikt wordt. Timoteüs heeft mij geëvangeliseerd over uw geloof en liefde. Uw geloof is goed nieuws, zoals de redding door de Here Jezus goed nieuws is. Natuurlijk niet hetzelfde goede nieuws, maar het vormt wel één geheel. Jezus stierf aan het kruis en de Heilige Geest geeft geloof en zo gebeurt de redding van de ondergang om eeuwig te leven. Goed nieuws op Golgota, in Tessaloniki en hier in De Voorhof. Het is allemaal Gods grote reddingswerk. Het stelt Paulus gerust. Het sterkt hém in het geloof God zo bezig te zien. Hij leeft er van op. Dit bericht smaakt naar meer: Paulus wil ze graag weer ontmoeten en hij merkt dat zij er ook naar verlangen. Eén ding nog. Het valt op dat Paulus blij is met het geloof van mensen, terwijl er best het één en ander op aan te merken valt. Woensdagavond wil ik daar iets over vertellen. Er komt werkloosheid in de gemeente voor, niet alleen omdat er weinig werk is in de haven van Tessaloniki, maar ook omdat mensen het wel makkelijk vinden om niet te werken en zich door rijken te laten onderhouden. Ze vullen hun tijd met nutteloze en slechte dingen. En er zijn ook christenen die zo leven. Als ik hoofdstuk 4 lees –daar hoop ik over een paar weken over te preken- dan vermoed ik dat er problemen waren op seksueel gebied. Er is heel wat aan de hand met die mensen. Maar Paulus is blij, echt zielsblij met hun geloof. De eerste drie hoofdstukken van zijn brief staan er bol van. Het blij zien over het geloof in de gemeente overheerst sterk. Paulus weet van het geduld van de Here Jezus. Hij weet van vergeving ook voor de zonden die hij daar tegenkomt. De Here Jezus zelf spreekt ook in de gelijkenis op een positiever toon dan je zou vermoeden. Hij noemt de meisjes zonder licht, de afhakers dwaas. Dat zijn ze ook. Wie zijn band met de Here Jezus loslaat, terwijl een geweldige toekomst wacht, is dwaas. Maar die anderen, waren die zo wijs? Nee, ze vielen in slaap. Ze lieten hun lampje uitgaan. Ze hadden reserveolie, gelukkig, maar ze waren helemaal zo wijs niet. En toch noemt Jezus ze wijs, zo mild is hij, zoveel geduld heeft hij met iedereen die in hem wil blijven geloven. Jezus en Paulus zijn blij met het geloof, ook al is het een gebrekkig geloof en gaat het gepaard met vallen en opstaan op het werk en in de slaapkamer. Zie overal om je heen de vlammetjes branden. Het is Gods werk. Laat het je aan het hart gaan dat ze blijven, ook als dat moeilijk is. Spreek er over. Stimulerend en waarschuwend misschien –daar komen we nog wel op. Maar begin vooral met blij te zijn. Op weg naar de wereld van licht blij met zulke lichtjes. |










