| Zonde !? (1) Over wet en zonde |
|
|
Er zijn kerken waar je veel over zonde hoort. In andere juist helemaal niet. Waar staan wij? Of liever: waar zet de bijbel ons neer? In drie leerdiensten behandelen we dit thema. De eerste gaat over de vraag of zonde en wet na je bekering een gepasseerd station zijn. Aan de orde komen Romeinen 7:1-13, NBG art. 25 en Zondag 2.
Liturgie
Welkom
Openingsbelijdenis
Groet
GK Gezang 171
Gebed
Romeinen 7:1-13
Psalm 39:1,2,3
Preek deel 1
GK Gezang 91
Preek deel 2
Psalm 32:1,2
Apostolische geloofsbelijdenis
Psalm 107:1
Gebed
Mededelingen
Collecte
GK Gezang 107:1,2,4
Zegen
Er zijn kerken waar je veel over zonde hoort. Over een wet van God die hoge eisen stelt. En dan ga je jezelf nog meer zondaar voelen. Je hoort vertellen dat je niets goeds kunt doen en alleen maar slechts. Je hoort over toorn, woede van God. En over straf: hel en verdoemenis. Je kunt je voorstellen dat daar een wat sombere sfeer en een neergeslagen gevoel bij horen. Zijn er onder u die wel eens in zo’n soort kerk geweest zijn?
Er zijn ook kerken waar je weinig of niet over zonde hoort. Jezus is immers voor je zonde gestorven. De wet, die heeft Jezus vervuld, dat is voorbij. En niets goeds doen, alleen maar slechts? Wie in Jezus Christus gelooft is een nieuwe schepping. Geen strijd, maar overwinning! Gods toorn en Gods straf, die heeft Jezus gedragen. Als je in hem geloofd heb je met dat alles niets te maken. Je kunt je voorstellen dat bij zo’n kerk een blije sfeer en een goed gevoel past. Wie is wel eens in zo’n soort kerk geweest?
Twee heel verschillende soorten kerken. Ja, tussen die kerken zijn wel meer verschillen. B.v. in de muziek, in de kleding. En dat roept ook een verschillende sfeer en een verschillend gevoel op. Maar dieper zitten zaken als zonde, wet, verdorvenheid, toorn en oordeel.
Als je die verschillende kerken nou zit, waar zitten wij dan? Meer bij de ene soort, of meer bij de andere? Eigenlijk vind ik het interessanter om te zien: waar wil de bijbel ons neerzetten. Welke plek moeten deze onderwerpen in het leven van een christen en in de kerkdienst van christenen hebben?
We behandelen dit thema deze maand in drie leerdiensten:
Zonde en wet hebben veel met elkaar te maken. Als je eerlijk naar de geboden van God luistert, dan besef je dat je zondaar bent. Je leeft anders dan die geboden aangeven. In kerken waar veel nadruk op de wet ligt, leeft vaak een sterk gevoel zondaar te zijn. In kerken die de oudtestamentische geboden op een afstand houden, speelt de zonde en het gebed om vergeving ook geen rol. Daarom behandelen we deze twee vanmiddag in samenhang.
Er zijn mensen die houden van one-liners. Maar je redt het niet met een simpel ja of nee tegen de wet. We hoorden Paulus zeggen ‘Ik ben bevrijd van de wet waaraan ik geketend was’ (vers 6). Maar aan het einde van het hoofdstuk zegt hij: ‘Ik onderwerp mij aan de wet’ (vers 25). Het is nee, en toch ook weer ja. Zowel het nee als het ja zie je vaker in het nieuwe testament. In Romeinen 7 in een hoofdstuk. Je voelt hoe Paulus er mee worstelt. In het eerste deel van de preek gaan we dat lezen.
Romeinen 7:1-13
We starten in vers 9, waar Paulus persoonlijk wordt. ‘Eens leefde ik zonder de wet’. Wat bedoelt Paulus daarmee? Was hij ooit een niet-jood? Of een joodse puber die tegen de wet aantrapte? Laten we luisteren naar wat hij over zichzelf vertelt: ‘Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië … strikt volgens de voorschriften van de wet van onze voorouders opgevoed.’ (Handelingen 22:3) In één van zijn brieven schrijft hij: ‘Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een farizeeër.’ (Filippenzen 3:5) En in een andere brief: ‘Ik leefde de Joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.’ (Galaten 1:14)
Hij werd geboren in de joodse gemeenschap in Tarsus aan de Turkse zuidkust en verhuisde naar Jeruzalem: ‘Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in deze stad (Jeruzalem). Ik heb als leerling aan de voeten van Gamaliël gezeten´ (Handelingen 22:3) Al jong was Paulus een fanatiek aanhanger van de strikte opvatting van de wet. Als jongeman was hij betrokken bij de steniging van een evangelist die veroordeeld was omdat hij de wet aan de kant schoof. (Handelingen 7:58). Misschien heeft Paulus zich een korte tijd afgezet tegen de wet, maar niets wijst daar op. Bij zijn tijd zonder de wet denk ik eerder aan zijn kinderjaren in de joodse gemeenschap.
Op je dertiende werd je bar-mitzwah, zoon der wet, dan neem je zelf de verantwoordelijkheid op je naar Gods wet te leven. Dat is wat Paulus bedoelt in vers 9: ‘Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven, en daardoor stierf ik.’ Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Vers 10 zegt: ‘Het gebod dat tot het leven had moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden’ Hij nam de wet op zich, werd bar-mitzwah, zoon der wet, om te leven. Dat was zijn leven, en dat beloofde een rijke toekomst, voor eeuwig met God. Als je naar die wetten leefde. Paulus moet daar hoge verwachtingen van gehad hebben. Het echte leven, met God, voor eeuwig.
Maar de praktijk is: het lukt niet. Je zou denken de wet tekent een manier van leven die prachtig is. Toewijding aan God, eerlijkheid, respect en liefde voor je medemens. Als je zo leeft, dat is echt leven. Maar het lukt niet. Hoe harder de jonge Paulus zijn best doet, des te meer voelt hij zich falen. Het leven van dat mooie plaatje is onbereikbaar. En God, die wil dat je zo leeft, hij wordt zo ook onbereikbaar. Dat moet Paulus bedoeld hebben: het bleek mijn dood. Het gebod zegt: doe dit, dan leef je. Maar Paulus is dood. Geestelijk dood, op onoverbrugbare afstand van God. En eeuwig dood, als straf van God.
Dat komt niet omdat die wet niet goed is. Nee daar is Paulus wel van overtuigd. In vers 12 zegt hij: Kortom de wet zelf is heilig, en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. Dat plaatje is prachtig. Maar wat is het dan. Paulus zelf die niet goed is? Paulus noemt in vers 11 nog iets anders: De zonde heeft gebruik gemaakt van het gebod en mij door het gebod gedood.
Paulus heeft het in dit hoofdstuk over de zonde als of het íémand is. Hij personifieert de zonde. Paulus heeft ontdekt dat zonde niet een keer liegen of lomp zijn is, maar een macht in je leven. Het is een onzichtbare kracht die een wig drijft tussen jou en het goede leven en God. Je kunt er niet tegen op.
En die zonde, die maakt gebruik van dat goede gebod:
Hier hebben we de worsteling van Paulus. De wet is goed, maar de zonde is sterk en zo bereik ik dat mooie leven met God en die mooie toekomst met God nooit. De wet is goed, en juist daardoor voor mij onbereikbaar.
Heel persoonlijk zegt Paulus hier, wat hij eerder in zijn brief al schreef: de wet leert ons de zonde kennen. Romeinen 3:20. Maar in Romeinen 3 gaat hij dan zo verder: Gods gerechtigheid –de goede verhouding met God, waardoor je leeft, eeuwig leeft- waarvan de wet en de profeten al getuigen, wordt ons nu ook buiten de wet zichtbaar: God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. De wet veroordeelt jou: Niet liegen? Jij hebt het wel gedaan. Niet haten? Jij wel. God en het goede leven met hem zijn onbereikbaar. Maar door Christus is er vrijspraak. Als je in hem gelooft. God geeft een bypass om bij hem te komen. En juist in de worsteling met Gods wet ontdek je dat je die nodig hebt.
Nou zou je kunnen denken: dat stadium heb ik gehad, ik heb mijn zonde leren kennen, ik heb vergeving gekregen en nu is het voorbij. Zo schrijft Paulus er niet over. Het is bij hem een blijvende worsteling. Verderop in hoofdstuk 7, we gaan dat over twee weken lezen, schrijft hij over die strijd in de tegenwoordige tijd de tijd. Na zijn bekering blijft Paulus worstelen met de zonde Vergeving blijft nodig. En daar vertrouwt hij op: In het kruis zal ik eeuwig roemen. En de wet, die kan mij niet meer veroordelen.
Zingen: GK Gezang 91
In het tweede deel van de preek wil ik met u naar drie vragen kijken:
1. Nog zonde? Nog vergeving nodig?
Hebben gelovigen nog zonde en hebben gelovigen nog vergeving nodig? Paulus wel, dat merk je duidelijk in Romeinen 7. Ik ben er van overtuigd dat Paulus het hier niet alleen over zichzelf heeft, maar ook over mij en u. Over de zonde spreekt hij heel bescheiden en doorleefd in de ‘ik-vorm’. Maar tegelijk hoor je hem over een wetmatigheid, vers 21. Hij laat uit zijn eigen leven zien waar iedereen mee kampt. Je leest hierover trouwens niet alleen in Romeinen 7. Denk ook aan 1 Johannes, wat we samen gelezen hebben in één van de diensten over het gebed, zondagmiddag 16 mei. Ik wil u verwijzen naar die preek. In Matteüs 18 zegt Jezus: ‘Als één van je broeders of zusters tegen je zondigt, dan moet je die daarover onder vier ogen aanspreken.’ Jezus weet heel goed dat zijn volgelingen zondaren blijven en vergeving nodig hebben.
2. De wet nog nodig?
En de wet, hebben we die nog nodig? In Paulus’ leven blijft de wet een rol spelen. Nou zou je kunnen denken: ja, dat komt omdat Paulus zo is opgevoed, maar eigenlijk zou dat niet zo moeten zijn. Paulus zou juist helemaal van de wet af moeten komen. Maar toch zullen we hem aan het einde van het hoofdstuk horen zeggen: met mijn verstand onderwerp ik mij aan de wet van God (vers 25). Paulus zit niet meer onder de wet, en toch blijft de wet een rol spelen in zijn leven. In een andere preek, op 28 maart heb ik laten zien dat er meer aanwijzingen in het nieuwe testament zijn, dat de wet een rol moet blijven spelen. Tegelijk is de wet, zoals het oude Israel ónder de wet was, afgeschaft. Het lijkt tegenstrijdig, maar artikel 25 van de Nederlandse geloofsbelijdenis helpt wel om er wat doorheen te kijken.
Nederlandse geloofsbelijdenis, artikel 25
Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben. Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer.
De tijd dat de wet je verhouding tot God bepaalde is voorbij. Maar uit de wet kun je nog steeds veel leren: hoe God is, hij houdt van recht, vrede, trouw. Je kunt uit de wet leren wat in Gods ogen het goede leven is. Daarom blijft de wet, als je die goed gebruikt leerzaam.
Je kunt daarbij nog onderscheid maken in soorten wetten. Thomas van Aquino heeft in de 13e eeuw een soort driedeling bedacht:
De reinheidswetten zijn door Christus met zoveel woorden afgeschaft. Zijn offer maakt alle offers overbodig. Je kunt daar nog wel van leren, net als van die regels over landbouw in Palestina en over slavernij, maar ze hebben op een andere manier betekenis dan de tien geboden of het liefdegebod. Maar van al die geboden geldt dat je niet meer onder die wet leeft. Niet de wet en jouw gehoorzaamheid bepaalt hoe je tegenover God staat, maar de genade.
Hoe gebruik je de wet dan wel? Calvijn ontdekte drie manieren:
Dat tweede is waar we vanmiddag over gelezen hebben. Je ontdekt hoe groot je zonde is, dat het echt een kracht is in je leven die je bij God vandaan probeert te houden, als je naar Gods wet luistert. De wet is niet de enige manier om het te ontdekken. Je kunt ook aan de bergrede denken. Of aan de zeven christelijke deugden. Of aan de vrucht van de Geest. Hoewel het verschil daartussen niet zo groot is: de vrucht van de Geest is liefde, en dat is nou juist de samenvatting van de wet. In het derde deel van de catechismus staat een deel over het leven als christen. Daar wordt de indeling van de wet aangehouden, maar dat wordt ingevuld vanuit de bergrede, de zeven deugden en de achtvoudige vrucht van de Geest.
In zondag 2 lees je over dit tweede gebruik van de wet.
Heidelbergse Catechismus v.a. 3
Waaruit kent u uw ellende?
Uit de wet van God.
Letterlijk aangehaald uit Romeinen 3. En wij lazen vanmiddag hetzelfde in Romeinen 7. Het gaat over mijn ellende: terwijl ik door Christus gekocht ben -zondag 1- leert Gods wet mij nog steeds zonde ontdekken. De wet van Christus, de wet die ja als gelovige nog steeds nodig hebt. Het liefdegebod van Christus, waarin de tien geboden en de vrucht van de Geest bij elkaar komen. Heidelbergse Catechismus v.a. 4
Wat eist God in zijn wet van ons?
Dat leert Christus ons in een samenvatting, Matteüs 22: 37-40:
Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Dit is het grote en eerste gebod.
Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.
De ontdekkende functie van de wet is dat je moet concluderen dat je dat niet kunt.
Heidelbergse Catechismus v.a. 5
Kunt u dit alles volbrengen?
Nee, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten.
De volgende keer gaan we er op in of het echt zo erg is met ons. Maar het is duidelijk dat het je niet lukt om te leven zoals God het wil en dat de wet onder andere de functie heeft om je dat te laten ontdekken.
3. Zonde belijden?
En dan nog de derde vraag: moeten gelovigen zonden belijden? David heeft daar een hele mooie psalm over gemaakt: Psalm 32. Ik leed onder de last van mijn zonde, maar toen ik mijn zonden beleed, toen vergaf u mij. Hij schreef dat na de zonde met Batseba. Een gruwelijke zonde, die hij als gelovige had gedaan. Nu was dat het oude testament, maar ook het nieuwe testament spreekt over het belijden van zonden. Ik noem twee plaatsen:
Jacobus 5:16
Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar…
En wat we eerder al lazen in 1 Johannes: 1 Johannes 1:9
Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad.
Duidelijk is dat de zondebelijdenis uit het oude testament na het offer van Christus zijn plaats heeft gehouden. Christus heeft de vergeving voor je verdiend, maar je moet er wel om vragen. ‘Vergeef ons onze schulden’ leert hij je te bidden. Slot
Ik begon de preek met twee verschillende kerken. In de ene kerk ligt alle nadruk op de zonde. In de andere kerk is zonde een gepasseerd station. Daar hebben we het niet meer over. Dat laatste voelt het lekkerst. Maar waar staan wij? Ja, ik heb de vraag zo gesteld: waar zet de bijbel ons neer. Niet bij één van die twee. Want de worsteling met de zonde is realiteit in je leven. En in het reële leven vinden onze kerkdiensten plaats. We komen hier als zondaren voor God. Daarom eerst de wet, in zijn ontdekkende functie. Om concreet voor ogen te hebben dat je hier allemaal als zondaren elkaar en God ontmoet. Dan de schuldbelijdenis. Op dat punt moeten we een andere weg gaan dan veel vrolijkere kerken. Maar we blijven niet in die donkerheid steken. Op de schuldbelijdenis moet, zoals Calvijn het ons leerde, de genadeverkondiging volgen. In de kerk wordt zeker gesproken over zonde, maar de nadruk ligt niet op de zonde, maar op de genade. Dat is het grote wonder: Jezus die voor zulke zondaren wilde sterven. Hoe levensechter je je zonde onder ogen ziet, des te meer kun je er van genieten.
Amen |









