| Nederlaagfeest (Psalm 47) |
|
|
Wie een overwinning behaald heeft viert feest. Maar als je een nederlaag geleden hebt? Een preek voor Hemelvaartsdag over het feest van Christus’ overwinning en onze nederlaag. Psalm 47.
Welkom
Openingsbelijdenis
Groet
Psalm 47:1
Gebed
GK Gezang 101:1,2,3
Lucas 24:46-53
Opwekking 366
Psalm 47 (tekst)
Liedboek Gezang 228
Preek
Psalm 47:1,2,3,4
Gebed
Mededelingen
Collecten
Psalm 99:1,4
Zegen
Gebed
Collecten
Psalm 68:13
Zegen
Ik kan me niet anders herinneren dan dat we op Hemelvaartsdag Psalm 47 zongen, en later ontdekte ik dat die gewoonte al meer dan duizend jaar oud is. Het lijkt me trouwens wel goed er eens over na te denken of dat terecht is. ‘God vaart voor het oog met gejuich omhoog’. Maar hebben we het dan over Christus? Zijn naam wordt in deze psalm niet genoemd. Laten we de psalm maar eens vers voor vers lezen.
Klap in de handen (vers 2)
Ik heb dat wel eens als argument horen gebruiken om het klappen op het ritme van de muziek te verdedigen. Begrijpelijk, want voor het klappen bij de muziek is niet zoveel schriftbewijs te vinden. Maar toch, Psalm 47:1 gaat daar niet over. Het handenklappen waar het hier over gaat heeft meer iets van applaus. Allemaal in de handen klappen, zo hard mogelijk. Het kan zelfs iets strijdlustigs krijgen. In de bijbel lees je er bijvoorbeeld over als koning Joas gezalfd en gekroond wordt (2 Koningen 11:12). Zo wordt de nieuwe koning toegejuicht, het dak moet er af. En dan gaat het hier niet om en koning als Joas in een bepaalde stad. Nee alle volken moeten klappen voor God als koning.
Geducht is de Heer, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde (vers 3)
Uitbundig wordt zijn grootheid bezongen: ‘Groot koning van heel de aarde’. Maar, is God dat niet altijd geweest? Zeker. Vanaf de schepping. En tegelijk kun je hem koning zien worden in de overwinningen die hij boekt. Het koning zijn van God, het is er altijd, op de troon in de hemel. Maar Psalm 47 laat er iets van zien hoe het gebeurt in de geschiedenis, in het leven van mensen en volken. Dat merk je als we verder lezen.
Volken dwong hij voor ons op de knieën,
naties legde hij aan onze voeten.
Hij koos voor ons een eigen land,
de trots van Jakob, het volk dat hij liefheeft. (vers 4,5)
Dat is iets wat Gods volk, Israel meegemaakt heeft. God koos een eigen land voor hen uit.
Dan denk je aan de tijd van Abraham en de tijd dat Israel uit Egypte naar het land Kanaän trok. Toen dwong God volken op de knieën, de kanaänietische volken. God gebruikte de binnentrekkende Israelieten om zijn oordeel over alle kwaad van de Kanaänietische volken te voltrekken. Bij de intocht en de tijd daarna toen de volken die er nog woonden verdreven werden. En nog weer later toen David de filistijnen versloeg en vijandige volken rondom Israel, zoals de Ammonieten. Zo gaf hij Israel het mooie land dat hij voor zijn volk had uitgekozen. Gaandeweg werden meer volken op de knieën gedwongen. Daar zongen de Israelieten van. En zo zongen ze ook vers 6:
Onder gejuich steeg God omhoog (vers 6).
Wij zingen dat vaak apart, vers 3 in de berijming, maar het staat niet op zichzelf, het is het vervolg van vers 5. God, die een eigen land voor Israel heeft uitgekozen en volken op de knieën dwingt, die is het die opstijgt. In die tijd zou dat drie dingen kunnen betekenen:
· Je kunt denken aan het optrekken van Egypte naar Kanaän. Dat werd als een soort van opstijgen beschouwd. Het zou kunnen betekenen dat God, met zijn volk vanuit Egypte naar Kanaän opsteeg.
· Je zou ook kunnen denken aan de intocht van de ark in Jeruzalem, in de tijd van koning David, na een overwinning op de filistijnen.
Het opstijgen van de ark, de stad in, zou je kunnen bezingen als ‘onder gejuich steeg God omhoog’
· Nog een derde mogelijkheid is de terugkeer van de ark na de verovering van Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten. In die strijd, waarin Uria, de man van Batseba omgekomen was, was de ark meegevoerd (2 Samuël 11:11). Na de overwinning werd de ark omhooggedragen de stad in[1].
Het zou ook kunnen zijn dat het lied gemaakt is naar aanleiding van de eerste gelegenheid, maar bij latere gelegenheden herhaald werd. Het gaat hoe dan ook om een overwinningstocht van Here, het beloofde land of speciaal Jeruzalem in. Want in Israëls overwinningen is God de grote overwinnaar. Hij is het die in de tijd van David, Salomo, en later Josia grote macht gegeven heeft over de omliggende volken. In de beleving van de Israëliet kon je zingen: ‘God heeft de volken in onze macht gegeven. Hij is koning over alle volken.’ Toch heeft Israel nog niet de macht over alle volken. Zo beleef je dat misschien wel als je al die volken om je heen op den duur weet te overwinnen, maar daar achter liggen toch nog andere volken. Daar heeft God wel macht over, maar Israël niet.
Je zou kunnen zeggen dat de hemelvaart van Jezus het dan een stap verder brengt. Een opstijgen van God, niet door de woestijn naar Kanaän, naar Jeruzalem, maar van God de Zoon vanuit Jeruzalem naar de hemelse troon. In die hemelvaart kon je inderdaad de Psalm 47 herkennen.
Een feestelijke intocht in de hemel, die om huldebetoon vraagt, zoals in vers 7 en 8:
Zing voor God, zing een lied,
Zing voor onze koning, zing hem een lied,
God is koning van heel de aarde,
Zing een feestelijk lied. (vers 7,8)
Zo hoorden we dat Jezus leerlingen hem hulde brachten en in grote vreugde naar Jeruzalem terugkeerden, waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden (Lucas 24:52,53).
God heerst als koning over de volken, God zetelt op zijn heilige troon (vers 9).
Daarbij dacht de Israeliet aan God. Wij mogen ook denken aan zijn Zoon die met hem God is. Die met de Vader op de troon zit en alle macht in hemel en op aarde heeft ontvangen. Voor hem mag je Psalm 47 zingen. Jezus Christus, de koning van Israel, die tegelijk de God van Israel is, regeert als koning over heel de wereld. Natuurlijk zijn er overal vorsten en politici, maar zij zijn als het ware de schildwachten van Abrahams God. Vergelijk ze maar met die honderden politiemensen dinsdagavond op de Dam. Die regeren niet, dat doe de koningin, maar die politiemensen handhaven de orde. Zo zou je, van God uit gezien de politiek kunnen zien. Christus regeert, de aardse politiek is nodig om de orde te handhaven. Maar Christus bepaalt waar het heen gaat met deze wereld. Naar een nieuwe wereld, een nieuw koninkrijk.
Bij Jezus’ hemelvaart zie je de beweging om volken op de knieën te dwingen de wereld over gaan. En als hij terugkomt naar beneden, dan wordt het volmaakt. Dan is God niet alleen koning, dan is de wereld zijn koninkrijk.
Nederlaagfeest
Maar nou heb ik nog een vraag, die de psalm bij mij oproept. Ik begon de preek met de vraag of je wel eens een nederlaag gevierd hebt. Ja, die vraag kwam bij mij op toen ik Psalm 47 bestudeerde. Het is een oproep om God als overwinnaar te prijzen. Als koning die de volken op de knieën dwingt. Maar wie moet hem prijzen? Vers 2 zegt: Klap in de handen, alle volken. Juist de volken die door hem op de knieën gedwongen zijn. Dat zijn wij. We vieren zijn overwinning en onze eigen nederlaag.
Wat is dat, je nederlaag? Is dat iets waar je blij mee kunt zijn? Het is de nederlaag voor wat je van jezelf bent. Paulus zegt in Kolossenzen 3: Laat wat aards is in u afsterven. Hij heeft het dan bijvoorbeeld over hebzucht en onbeheerst taalgebruik. Haat, wrok, onvergefelijkheid. En alles wat er van binnen zit en wat er uit komt om jezelf overeind te houden en je groot te maken. Christus als koning erkennen, dat is een nederlaag voor jezelf. Je moet je kleinheid erkennen en je onvermogen om jezelf gelukkig te maken. Je moet ook erkennen dat je het zelf niet voor elkaar krijgt om goed te zijn en goed te doen. Je moet op de knieën naar God om vergeving te vragen. En bereid zijn te breken met alles wat er verkeerd zit in je leven. Een nederlaag voor mij.
En toch, toch is het prachtig als Christus op de troon zit, ook in jouw leven. Als hij, de goede koning het voor het zeggen heeft. Als hij je leven kneedt (Opwekking 598). Blijf het oefenen: jezelf laten kneden door de hemelse koning. Geboetseerd worden naar zijn beeld. Dat gaat met vallen en opstaan. Maar dan kijk ik nog een keer met de discipelen naar boven. Jezus gaat naar binnen, de hemel in. Die hemel, waar ik als zondaar nooit binnen zou kunnen. Maar hij heeft mijn zonde gedragen. En de Vader, hij opent de hemelpoort: Christus offer wordt goedgekeurd. God aanvaart hem. En als je bij hem hoort, dan ben je ook aanvaard. Ondanks de lelijkheid en smerigheid die er nog in je leven is, hoor je bij Christus de koning. Een nederlaag. Maar tegelijk zijn overwinning in je leven. Prijs de Heer!
Amen.
[1]Verschillende luisteraars konden moeilijk geloven dat David de ark had meegenomen in de strijd. In 2 Samuël 11:11 zegt Uria, één van Davids soldaten in de strijd om Rabba dat de ark en het leger in tenten zijn ondergebracht. De meest voor de hand liggende uitleg van dit vers is dat de ark mee is naar het front. Deze uitleg wordt bevestigd door 2 Samuël 15:24-29 waar David moet vluchten voor Absalom en de priesters de ark op de vlucht willen meenemen. Dit wijst er op dat het niet ongewoon was de ark mee te nemen in de strijd. Overigens blijft de ark in Jeruzalem, niet omdat het meenemen van de ark in de strijd fout is, maar omdat David het in dít geval niet wil.
Uit 1 Samuël 4-6 is wel de conclusie getrokken dat God niet toestond dat de ark in de strijd werd meegenomen. Als straf zou de ark daarom zijn buitgemaakt door de filistijnen. Het is echter de vraag of uit deze gebeurtenissen de conclusie getrokken mag worden dat God het meevoeren van de ark afkeurde. In ieder geval is het waarschijnlijk dat niet alleen in de tijd van Eli, maar ook in de tijd van David de ark daadwerkelijk werd meegevoerd in de strijd.
|










