|
Jezus belooft dat hij terugkomt. Maar wanneer? En hoe?
Jezus belooft dat hij terugkomt.
- Maar wanneer?
- Kunnen we daar iets over zeggen?
- En wat komt hij doen?
- Komt hij om te oordelen?
- Of komt hij eerst om de gemeente op te nemen.
In een serie leerdiensten hebben we in onze gemeente aandacht besteed aan de eindtijd en de terugkomst van Jezus:
Bidden om Jezus terugkomst:
Eindtijd:
(Preken van ds. H.R. van de Kamp, predikant van Apeldoorn-Centrum. Deze zijn te downloaden via http://www.gkvapeldoorncentrum.nl/)
- De opname van de gemeente
- Het duizendjarig rijk
- Wat doen wij op de nieuwe aarde
Een reactie op een aantal vragen naar aanleiding van de preken:
Jezus leert ons te bidden om zijn terugkomst. ‘Uw koninkrijk kome’ is de tweede bede in het gebed dat hij zijn leerlingen leert. Ook de eerste en de derde bede vragen om de komst van Gods rijk. Dan wordt Gods naam geheiligd en wordt Gods wil gedaan.
Maar wanneer komt Christus terug? Kun je daar meer over zeggen? En komt hij één keer of twee keer?
In De Voorhof hebben we drie leerdiensten over het gebed om Jezus’ komst gehouden. Op deze pagina ga ik in op de vragen en reacties.
Het toekomstbeeld van Matteüs 24 en 25
Jezus heeft zich over de toekomst en zijn terugkomst duidelijk uitgesproken in een preek kort voor zijn kruisiging. Deze is te lezen in Matteüs 24 en 25. Een kortere versie geeft Marcus 13 en Lucas 21.
Jezus gaat in deze preek in op twee vragen:
- De vraag naar de verwoesting van Jeruzalem en de tempel (24:4-28)
- De vraag naar zijn terugkomst en de voltooiing van de wereld (24:29-44)
Blijkt deze tweedeling uit de woorden van Jezus? Of is het een aanname? Eén van de kerkgangers vroeg hiernaar via de mail. In de weergave van Matteüs is dat niet direct duidelijk. Wel is duidelijk dat het eerste deel gaat over de tijd die aan Jezus’ komst voorafgaat. Het is de tijd waarin de Messias nog niet terugkomt, ook al kan het soms zo lijken (vers 23-27). Pas in vers 29 e.v. is er sprake van zijn komst. Waarover gaat vers 4-28 dan? In vers 15 lezen we over een gruwelijke verwoesting of verwoestende gruwel. Vergelijking met Lucas 21:20 maakt duidelijk dat dit de verwoesting van Jeruzalem is door de legertroepen die het omsingeld hebben. In 70 na Christus hebben de Romeinen Jeruzalem omsingeld en verwoest.
Zo krijgen we een heel eenvoudig beeld van de toekomst:
- In het jaar 70 nChr. wordt Jeruzalem en de tempel verwoest.
- Dit gaat gepaard met een grote verdrukking van het joodse volk waar ook de leerlingen van Jezus deel aan hebben (24:9,21). Een tijd van grote verschrikkingen, zoals er nooit geweest zijn en nooit meer zullen zijn. Deze verschrikkingen duren tot de terugkomst van Jezus (24:29).
- Direct na de verschrikkingen komt Jezus met luister en macht terug (24:29-31). Niemand weet wanneer (24:36).
- Bij deze komst zal hij oordelen over alle mensen (25:31-33)
- Dan komt het koninkrijk van God (25:34)

Opname van de gemeente?
In dit toekomstbeeld is geen plaats voor een terugkomst van Jezus die voorafgaat aan zijn komst om te oordelen. Het dispensationalistische toekomstbeeld gaat uit van een eerste komst van Jezus waarbij hij zijn gemeente ophaalt en een tweede komst waarna hij in Jeruzalem als koning gaat regeren over Israël.
Een belangrijke bewijstekst voor een voorafgaande komst van Jezus, waarbij de gemeente wordt opgenomen vinden we in 1 Tessaloncenzen 4:15-18. Ds. Van de Kamp is in zijn eerste preek over de eindtijd uitgebreid op deze en andere teksten ingegaan. Preek >>>
Duizend jarig rijk?
In dit toekomstbeeld zie ik ook geen plaats voor een ‘duizendjarig rijk’ ná de komst van Jezus. Openbaring 20 spreekt over een lange periode (1000 jaar) waarin Christus met de martelaren regeert. Een behoorlijk aantal christenen neemt aan dat dit duizendjarig rijk (zoals zij het noemen) na Jezus terugkomst en voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal zijn. Jezus regeert dan in Jeruzalem (wat overigens niet in Openbaring 20 staat). Men neemt vaak aan dat de oudtestamentische beloften van een messiaans vrederijk in deze periode vervuld zullen worden.
Er is echter iets wat tegen deze toekomstverwachting pleit. In Openbaring 20 volgt op de duizendjarige periode een korte tijd waarin de satan zal losgelaten worden. Dat zal een verschrikkelijke tijd zijn. In Matteüs 24 staat echter dat de grote verdrukking die aan Jezus’ komst voorafgaat de laatste is. Direct daarna komt Jezus’ terugkomst en het laatste oordeel en Gods koninkrijk.
De duizendjarige periode kan niet dus niet na Jezus terugkomst vallen maar er voor. Sommige uitleggers gaan uit van een bloeiperiode in de laatste eeuwen van deze wereld. Anderen nemen aan dat deze periode al begonnen is bij de hemelvaart van Jezus. Dit op grond van Openbaring 12. In vers 5 van dit hoofdstuk wordt ‘een zoon die alle volken met een ijzeren herderstaf zal hoeden’ opgenomen in de hemel. Vergelijking met Psalm 2 maakt duidelijk dat dit Christus is. Hij gaat naar de hemel en tegelijk wordt satan uit de hemel gegooid en drastisch beperkt in zijn macht over de wereld (zie Openbaring 12
- Dit lijkt op het begin van de duizend jaren in Openbaring 20:1-3, al wordt daar een andere beeldspraak gebruikt: de opsluiting van Satan. Bedenk echter wel dat het allemaal beeldspraak is en dat verschillende beelden voor dezelfde zaak gebruikt kunnen worden.
De periode na de hemelvaart van Jezus en (veertig jaar later) de verwoesting van Jeruzalem is dus op twee manieren te typeren. Aan de ene kant is het een periode van grote verdrukking, zowel voor Israël als voor de kerk, aan de andere kant is het een periode waar Christus regeert met de martelaren. Dit lijkt tegenstrijdig. Maar juist de regering van Christus roept verzet op in de wereld en verdrukking van zijn volgelingen. Satan is niet machteloos, maar wel drastisch beperkt in zijn macht.
En de profetieën van het vrederijk dan?
Openbaring 20 tekent de duizend jaren niet als de tijd waarin de oudtestamentische beloften van het vrederijk in vervulling gaan. Het oude testament spreekt überhaupt niet over een vrederijk. Wel zijn er veel beloften voor een toekomst van vrede en geluk. De vervulling van veel profetieën is al begonnen met de terugkeer uit de ballingschap en in de eeuwen daarna door de aansluiting van miljoenen niet-joden bij Gods volk. Wij noemen dit vaak het ontstaan van de christelijke kerk, maar het is niets anders dan aansluiting bij Gods oude volk. Tenslotte zullen veel toekomstprofetieën op de nieuwe hemelaarde in vervulling gaan. Ezechiël 40-48 geeft van deze nieuwe wereld een indrukwekkende tekening in oudtestamentische beelden. Johannes ziet diezelfde wereld in nieuwe beelden. Wat hem verrast is dat God niet, zoals je in Ezechiël 40-48 zou verwachten in een tempel aanwezig is, maar dat God zelf de tempel is. (Openbaring 21:22). Dit is de stad die je op grond van Ezechiëls profetieën mag verwachten en die de naam draagt ‘De Heer is daar’ (Ezech. 48:35).
Nog tijdens de generatie die 1948 heeft meegemaakt?
In mijn preken over Jezus’ komst heb ik verschillende keren opgemerkt dat we het tijdstip niet weten. In reacties op de preken werd gewezen op Matteüs 24:32 en in verband daarmee ook op 21:19. In beide teksten gaat het over en vijgenboom. In de ene tekst vervloekt Jezus een vijgenboom ‘Nooit of te nimmer zul je meer vrucht dragen’ en in de andere tekst wijst Jezus ons in verband met het naderende einde op de les van de vijgenboom: ‘zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.’ Nu wordt wel gezegd dat de vijgenboom beeld is van Israël. De vervloeking van de boom zou dan betekenen dat Israël verworpen wordt en Jezus woorden over de bloei profeteren van een herstel van Israël, wat we sinds 1948 zien. Uit Matteüs 24:34 wordt dan geconcludeerd dat die generatie, nl die van 1948 zal meemaken dat ‘al deze dingen gebeuren’.
- De vijgenboom is geen bijbels beeld voor Israël. Het feit dat Israël in de bijbel een keer met vijgen (Hos. 9:10) en een keer met een vijgenboom (Jer. 8:13) vergeleken wordt betekent nog niet dat we bij Jezus’ woorden over een vijgenboom en zelfs bij zijn handelingen met een vijgenboom aan Israël moeten denken.
Ook Joël 1:7 worden in dit verband wel genoemd. Het is in dit gedeelte echter onzeker of meer bedoeld is dan de wijnstokken, vijgenbomen enz. die in het joodse land aangevreten werden door de sprinkhanen.
- In geen van beide gedeelten verwijst Jezus naar woorden over de vijgenboom in het oude testament. Er is hier geen sprake van een aanhalen van de schriften door Jezus, zoals in een reactie op de preek werd gemaild.
- Door Jezus zelf wordt geen verband gelegd tussen het vervloeken van de vijgenboom en de verwerping van Israël. Ook de context wijst niet in die richting. De bredere context in hoofdstuk 21 e.v. is die van het proces om Jezus. De aandacht die de verwerping van Jezus door de leiders van zijn volk (de leiders, niet het hele volk!) krijgt is daaraan ondergeschikt.
- In de laatste preek heb ik in dit verband ook nog gewezen op Lucas 21:29 waar blijkt dat Jezus de vijgenboom als een min of meer willekeurig voorbeeld heeft genoemd. Hij blijkt gezegd te hebben: ‘Let op de vijgenboom en de andere bomen’. In een reactie werd herhaald dat de vijgenboom toch wel een speciale betekenis heeft en dat ook in Joël 1:12 andere bomen worden genoemd. Ik krijg hier de indruk dat een gewenste uitleg van de tekst krampachtig moet worden vastgehouden. Waarom is dat nodig?
- In zijn boek ‘Dag nog uur’ waarschuwt J.W. Embregts terecht tegen het dateren van Jezus’ terugkomst. Er zijn al honderden berekeningen van Jezus’ komst geweest die even serieus te nemen zijn als de nieuwste uit onze tijd, maar die uiteindelijk onjuist gebleken zijn (zie de tabellen op blz 202 tot 255 van zijn boek). Er is geen reden om aan te nemen dat een nieuwe berekening, die Jezus’ (eerste) komst binnen de generatie van 1948 dateert, betrouwbaarder is. (Waarmee ik niet wil uitsluiten dat de Heer één dezer dagen komt. Ik bestrijd echter dat je het kunt berekenen.)
Wat doet het er eigenlijk toe?
Een goede vraag. Maakt het eigenlijk wel uit of Jezus één of twee keer komt en of we er iets over kunnen zeggen wanneer? We merken het toch vanzelf?
- Het is waar dat God zijn beloften zal vervullen op een manier die ons verrast en die onze verwachtingen overtreft. Laten we daarom voorzichtig zijn in de veroordeling van toekomstverwachtingen die anders zijn dan je ze zelf hebt.
- Pas echter op met berekeningen. Embregts wijst er op dat de vele berekeningen die onjuist bleken velen ontgoocheld hebben. Kijk uit voor de geloofsschade die dit aanricht.
- Je doet God te kort als je zijn beloften aan Israël beperkt tot het joodse volk. Sinds pinksteren mogen ook niet joden bij Gods volk horen. Paulus gebruikt in Romeinen 11 het beeld van de olijfboom waaruit takken zijn weggebroken (de joden die Gods Messias verworpen hebben) en anderen zijn ingevoegd (de niet joden die hem aanvaard hebben). Dat is vandaag Gods Israël. Voor dat uitgebreide volk zijn Gods toekomstbeloften.
|